doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

E. Overduijn-Heyligers: Annaq Mas, “Gouden Kind”
Bruna / 19XX


[1:]

Ze was een heel klein teer kindje van omstreeks zes jaar met groote zwartfluweelen droomoogen en een mooi gaaf rond gezichtje, van zacht zuidelijken tint.
Haar slanke lijfje was van een ontroerende lenigheid, welks wendingen soms geleken de kronkelingen van een slang; als ze zich bewoog met coqette beweginkjes, in pure kindgebaartjes, heffend de kleine smalle handjes, waarvan de roodgemaakte nageltjes bloeddroppelen geleken.
Om de teere leedjes droeg ze een sarong, bij het middel vastgehouden door een gordel, waaronder wegscholen de uiteinden van een, uit kleurige katoenen lapjes gemaakt, slabbetje, dat bedekte ’t borste en het buikje en kruiselings over de nrug was saamgebonden, die vrijlatend als de bruine armpjes.

[2:]

Het hoofdhaar, om het kruintje weggeschoren, gewrongen in een kleine kondé, werd door de moeder omkranst met aangeregen tandjongbloesems, die ook wel tot armbanden gemaakt, de teere polsjes sierden.
Verschillende malen hadden haar ouders haar meegenomen naar de nabije passar om haar te koop te bieden, zooals met haar broertjes en zusjes was geschied, die thans ver van het ouderlijk huis een vreemden meester dienden.
Maar voor het kleine teere meisjes kwam geen kooper opdagen. Men vreesde al te zeer haar physieke zwakte om ooit dienst van haar te kunnen hebben. Zoo keerden ze telkens teleurgesteld en ontevreden weer en werden de mooie kleertjes en de welriekende bloemenslingers haar ontnomem om verwisseld te worden tegen de bataksche kleederdracht: een havelooze lap.
- Ik geef je nog liever voor niets als niemand geld voor je biedt, zei eens haar moeder ontevreden en duwde het teere kindje van zich af tot het struikelde en ineengekrompen bleef liggen op den grond.
- Kom blijf daar niet zoo onnoozel liggen en ga liever de djagoons pellen; het zijn de laatste, morgen hebben we geen eten meer.
En moedeloos straatde de in lompen gehulde vrouw naar buiten, waar op de rijstvelden van den verwoesten en mislukten oogst de hongerdood haar tegengrijsde.

[3:]

Schreiend gehoorzaamde het kind, begon met de kleine vingertjes de harde korrels uit de hulzen te pellen.
Waarom was dit, haar jongste, ook zulk een teer en slecht ontwikkeld wicht, dat niemand er haar eenig geld voor bood!
Een uitkomst waren haar de enkele dollars geweest die ze voor de anderen ontvangen had, toen was ze van de zorg voor hun voeding ontheven geweest en kreeg ze geld om in eigen behoefte te voorzien.
Vaal en dor strekte de rijstvelden, waarheen ze haar oogen ook wendde...
Neen, ze moest haar kind een thuis bezorgen, zóó kon het niet langer.
En den volgenden dag ondernam zij den tocht met het kleine kind te voet naar de petroleumbronnen. Een medelijdende Chinees nam hen beiden mee op zijn boot, omdat hij zag dat het kind van vermoeienis zou ineenzakken.
Zoo waren ze aangekomen op een woeligen ochtend aan de boom. Schril gefluit in langgerekte tonen sidderde over de baai, die kalm zich strekte, in witgekuifde golfjes uitvloeiend naar de kust.
Helle zonnestralen schoten omlaag, dooopten in de kabbelingen met zilverflakkergespeel.
Gejoel van toestroomnde menigte klonk op, stuwde voort in golvend gedein naar de boom, waar het Chineesche vrachtschip was aangekomen.

[4:]

Langs den waterkant manden met kirrende duiven, kwakerende eenden en tezaamgepakte kippen, te midden van goudglanzige vruchten, okerbrons in alomstralende zonneschijn.
Een oogenblik was de boom tooneel van door elkaar krioelend menschengewroet, in haastigen tast zoekend naar de hier en daar neergeworpen levensmiddelen.
Een enkele zonnehelm stak wit op tusschen de donkere hoofden, deed kil ernstig in den warmen woeldrom van verschillende kleurlingen.
Rustig lag het stoomschip nu gemeerd langs de kust.
Wankelend was de Batakvrouw het bruggetje afgewaggeld, voor zich uit haar kind.
Daar aan de wal, te midden van de menigte die haar duizelen liet, wilde zij zich neerzetten en wachten of het lot haar gunstig gezind zou zijn.
Gehurkt bij de aanlegplaats zag ze beurtelings verschillende menschen langs haar heen gaan, soms even stilstaande om naar haar en het kind te zien en daarna weer onverschillig doorlopend.
Zou ook nu haar tocht weer vruchteloos zijn! Daar zou dan niets anders overblijven dan met het kind van honger en gebrek om te komen...
Reeds begon gewoel langs de baai te verminderen, zag ze manden en kisten wegvoeren naar de kampong en de menigte uitvloeien over de verschillende wegen.
Een indische vrouw, donker getint, het sterk

[5:]

indo-type, ’n mooie kantomzette kabaja om haar welgevormde leden, kwam den weg op naar de boom.
- Daar is mevrouw Wiel, de vrouw van den opzichter, zegden tot elkander de matrozen van het schip en bleven aan de verschansing staan om naar haar te kijken.
In haar ravenzwarte kondé staken twee brillanten haarspelden en groote kostbare steenen in haar oor vingen duizendvoudig de dansende zonnestralen. Boven haar hoofd huifde een witte parasol met kanten omzet. Zoo met langzaam beweeg, heupwiegend, kwam ze aan, bezag met critischen blik de voor haar bestemde goederen.
- Zie je, dat is een rijke njonja; misschien wil die je wel koopen, fluisterde de moeder, haar oogen gestaag gericht op de naderende gestalte.
Zou ’t nu komen?
Zou ze nu verlost worden uit de klaaglijke ellende van haar kind te zien verhongeren onder haar oogen?
De opzichtersvrouw zag haar aan, daarna het kind... Verlaten was de boom en de misère-figuur van de moeder naast het veel netter gekleede kind trok de aandact.
- Waarom zit je hier zoo? vroeg mevrouw Wiel, nader komend.
- Om m’n kind te verkoopen ma’am; ik heb geen eten voor haar, zei de moeder verstard haar aanziende.

[6:]

- Maar niemand zal je er een cent voor geven, ze is te mager.
De vrouw stond op en deed een schrede voorwaarts.
- Ik weet het ma’am, en zich dan overbuigend en met gebroken stem: - wilt u het kind present hebben? Geef me dan maar een paar koepangs om naar huis terug te keeren, dan kan ze met u meegaan naar uw huis.
En dan met hoopvollen lichtglans in haar uitgedoofde oogen, wenkte zij het kind nader te komen.
- Wil jij wel met me mee naar huis en mijn annak mâs worden? Hoe heet je?
Het kind zag vrijmoedig op naar de stevige volle gestalde van de opzichtersvrouw en knikkend, flauw bewegend het hoofd stemde het toe.
- Ik heet Kembang (bloem), zeide het ernstig.
Mevrouw Wiel begon te lachen.
- Als ik je meeneem zal ik je een anderen naam geven, je zult dan in het vervolg Poenggoet (opgeraapt) heeten. Het kind knikte weer, vroolijk opkijkend met de groote fluweelen vraagoogen.
- Nou ga dan maar mee en loop vooruit met de baboe, die daar aankomt.
Zij zocht in haar porte-monnaie en haalde er eenige geldstukken uit.
- Hier voor de terugreis en nog een paar voor je zelf. Dankend nam de Bataksche vrouw het geld aan en liep toen weg naar de boot.

[7:]

Poenggoet knikte haar moeder even ernstig toe en volgde met de baboe eenige passen achter de opzichtersvrouw. Niets verried op het peinzende gezichte wat beroerde het kinderzieltje. Als gold het een afscheid voor enkele uren stapte ze vastberaden voort en de vrouw zag door het traliewerk van de verschansing al verder weggaan haar kind... en geen traan welde in de heet geschrooide oogen.
Zoo was het goed, zoo was haar Kembang in veilige haven, beter dan zij zelve ooit in staat zou zijn haar te verschaffen...


inhoud | volgende pagina