doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Dé-Lilah: Een Indisch Dozijntje
Utrecht: H.M. Honig, 1898


[16:]

"Karel laat je niet lijmen."

De Huismans waren goede vrienden en ik ondervond van hun nooit anders dan oprechte trouwe vriendschap.
Nu is vriendschap in den waren zin des woords met een lantaarn te zoeken; vriendschap in den zak vindt men daarentegen maar al te dikwijls, vooral als de beurs vol is en men open tafel houdt, zal het aan zoogenaamde vrienden niet ontbreken; doch "vrienden in den nood, 50 in een lood."
De Huismans meenden het echter oprecht, dat kon men aan hunne hartelijheid merken. Alles hadden ze voor mij over, in zoo verre ze het tenminste konden missen wat niet te veel kon zijn, bij zijn laag tractement en de beeren waarin hij tamelijk dik zat. Thilde Huismans vooral was een lief goed wijfje, goedhartig en gastvrij. Zij had daarbij een allerliefst voorkomen, en wanneer zij

[17:]

wilde ook zeer innemende manieren. Dat was het juist. En dat was het eenige groote gebrek in haar karakter: ze was zeer humeurig. Dit was een doorloopende ergernis voor Karel, haar man.
Hij zelf vroolijk en opgeruimd van natuur, kon 't zich maar niet begrijpen, hoe zijn vrouwtje, dat in de eerste plaats 15 jaar jonger was dan hij, in de tweede plaats een onbekommerd zorgeloos leven had, steeds maar mopperen en zuur kijken kon. En wanneer zij van die buien had, dan kon niemand 't haar naar den zin maken; haar man kreeg op zijn vragen geen antwoord, de kinderen werden afgesnauwd, en de bedienden werden één voor één onder handen genomen, en kregen de noodige standjes, hoewel ze 't volstrekt niet hadden veriend.
"Thilde! Thilde!" placht Karel tot haar te zeggen, "je zult vroeg oud worden. Kijk nu maar eens in den spiegel, dan zul je zien hoeveel rimpels je al hebt, en dat voor een jong vrouwtje van 22 jaar!"
"Ja, jij hebt makkelijk praten. Jij gaat om 8 uur naar 't kantoor, doet je werk, en voor de rest staat alles voor je klaar. Je eten krijg je gestuurd; - wanneer je thuis komt, staat je bittertje klaar, je slaapbroek, kabaja en sloffen liggen vlak voor je neus, en voor de rest trek je je van den heelen rommel niets aan, maar ik, die me den heelen dag moet uitsloven, dan met de kinderen, dan met de keuken, dan met de beesten; o, een huisvrouw heeft waarlijk geen leven en geen rust. En daarbij wordt alles zóó duur, 't

[18:]

vleesch is weer 5 centen opgeslagen, en de baboe van de kleine Nora vraagt opslag van loon. Hoe kan ik op den langen duur van ons tractement toekomen?"
"Dat komt terecht, Thilde," was Karels flegmatiek antwoord. "Je weet in den Oost komt alles terecht."
"Och loop heen en erger me niet met dat onzinnig gepraat. Zeker komt alles terecht tegen dat je Gouverneur-Generaal wordt?"
Thilde had natuurlijk wel haar zorgen. Zooals ik al zeide was hun tractement niet groot en Karel hield nog al van lekker eten. Buitendien moest er nog iedere maand 80 gulden af voor een voorkind van Karel, dat op Batavia school ging. Thilde zelf had 4 kinderén, die allen maar een jaar scheelden, en zij was al weêr op weg om nummer 5 te krijgen.
Eens toen ik bij hun gelogeerd was, zaten wij op een warmen zomerochtend met elkaar te ontbijten, toen Karel vertelde, dat hij besloten had, om in een levensverzekering te gaan. Hij was voor vrouw en kinderen niet verantwoord, en het werd tijd om eens voor de toekomst te zorgen, want men kon niet weten; vader Jas kon eens onverwacht komen, en wat moest Thilde dan met haar zes kinderen beginnen?
Van dat kleine pensioentje zou zij immers onmogelijk kunnen leven? Er was juist een agent van de levensverzekering-maatschappij aan 't reizen, en die had hem een briefje geschreven, of hij Karel eens mocht spreken.

[19:]

"En hoeveel moet je dan wel betalen?" begon Thilde en de 3 rimpels op 't hooge voorhoofd toonden aan, dat er weer een onweersbui in aantocht was.
"Voor 10.000 gulden zoowat 45 in de maand."
"Maar Karel! waar moeten we dat van betalen? Van 't tractement kan 't onmogelijk af, en extra verdiensten heb je niet heb je me gezegd. Denk toch eerst na, voor dat je zóó iets begint."
"Alles komt terecht Thilde. Laat dat maar aan mij over.
"Behalve dat ik het iedere maand van 't tractement zal moeten afstaan. En dat kan ik niet, er kan geen cent meer van af. We bekrimpen ons al genoeg!"
"Dan moet je maar een paar bedienden afschaffen, me dunkt aan twee baboes heb je toch genoeg. Waarom moet je er vier hebben?"
"Zóó, moeten Nora en KareItje niet ieder een baboe hebben, en moeten de twee oudsten ook niet worden opgepast? En in iedere huishouding is een "toekang mendjahit" die kan ik heelemaal niet missen."
"En als ik eens kom uit te knijpen, Thilde-lief zal je dan niet blij zijn, wanneer je wat geld hebt, of wil je liever in volslagen armoede achter blijven met je zes kinderen?"
"Neen, dat niet Karel, maar laat ons liever nog wat wachten. Zoo gauw zal je toch niet uitknijpen, daar beware de Hemel ons voor, en heb je later verhooging van tractement dan kunnen we het immers altijd nog doen."

[20:]

"Van uitstel komt afstel," antwoordde hij. "Enfin we zullen zien. Van middag komt die agent, en dan kunnen wij er nog eens nader over spreken. Geef me nog maar een boterham."
Thilde maakte nog een broodje voor haar man klaar, maar de lieve glimlach scheen voor goed verdwenen, de rimpels bleven en ze keek erg zuur.
Toen Karel klaar was, stond hij op, en gaf haar een kus. Zij beantwoordde dien echter niet, maar keek strak voor zich uit.
"Kom Thilde, krijg ik hem niet terug", plaagde hij en kietelde haar aan de kin.
Doch zij lachte niet, en met tegenzin gaf zij hem een kus terug.
"Je hebt toch een schat van een man" kon ik niet nalaten te zeggen. "Hij doet niets anders dan aan jou en aan de kinderen denken, en daarbij is hij altijd zoo opgeruimd en vroolijk. Het is een lust om hem te zien."
"Ik wou, dat hij zich die levensverzekering maar uit het hoofd zette. Wij kunnen 't werkelijk niet doen tante! Hij kan zich dat zoo niet begrijpen. Hij heeft heelemaal geen idée van geld, en dat kan mij zoo ergeren; 45 gulden in de maand, het is toch geen kleinigheid!"
"Ik kan over jullie finantiën niet oordeelen", antwoordde ik, "maar zeer zeker is het verstandig, dat Karel eenige maatregelen voor de toekomst neemt". Zij antwoordde niet, maar ging heel boos aan haar werk. De kokkin kreeg een standje, dat de nassitim nog niet gaar was, de baboe werd afgesnauwd omdat het kind schreide en de kleine

[21:]

Bertus werd in een hoek gezet, omdat hij met zusje kibbelde.
Des avonds was Karel buiten gewoonte gekleed.
Hij verwachtte den agent der levensverzekeringmaatschappij, dien hij op zijn kantoortje ontvangen zou.
Weldra kwam dan ook een heer in 't zwart gekleed binnen, en Karel ging met hem naar 't kantoor.
Thilde's bui was nog niet over. Zij had wel met Karel gepraat, maar toch niet zoo hartelijk als gewoonlijk. Zij had zich zelfs aan 't gezellige theeuurtje onttrokken, en hoe dikwijls Karel haar ook riep, zij wilde maar niet komen. Toen zij echter den agent binnen zag komen, werd zij wit van kwaadheid, want zij had gehoopt, dat haar man hem zou hebben afgeschreven. Zij rammelde met de sleutels, sloeg de deuren hard achter zich dicht, en toen ik bij haar in de slaapkamer kwam, en haar wat vraagde, gaf ze mij niet eens antwoord. Ik ging daarop in de binnengalerij zitten waar de deur van 't kantoor in uitkwam en hoorde de twee mannenstemmen duidelijk met elkander spreken. Opeens kwam Thilde de slaapkamerdeur uit, liep mij rakelings voorbij, ging naar het kantoor, ppende de deur, stak haar blond hoofdje naar binnen, en riep met half verlegen halfbooze stem:
"Karel laat je niet lijmen!"
Pats, de deur wêer dicht, en Thilde naar achter.
Een oogenblik later kwam Karel de deur uit en mij ziende vraagde hij:
"Waar is mijn vrouw?"

[22:]

"Daar in de achtergalerij antwoordde ik."
"Mathilde! " zeide hij met van toorn bevende stem, heb ik je zooeven goed verstaan? Heb je gezegd:
"Karel laat je niet lijmen!"
"Jawel, dat heb ik gezegd," hoorde ik haar antwoorden.
"Dan is het goed, dan spreken wij elkander straks nog eens nader." En hij ging weêr naar het kantoor terug.
Om acht uur vertrok de agent, en nu volgde er een vreeselijke scène, die natuurlijk voor mij als derde persoon zeer onaangenaam was.
"Ik heb nooit geweten," zóó begon Karel, want hoe doodgoed hij anders was, driftig zijnde ontzag hij zich niet, "ik heb nooit geweten, dat je zoo onbeschoft en ongemanierd kon zijn. Wel foei! wat heeft die meneer Broekman moeten denken, wat zal tante daar wel van zeggen. Ik ben er zelf geheel stupéfait van."
"Dan hadt je ook maar moeten luisteren," antwoordde zij op nogal scherpen toon.
"Ik heb naar niets te luisteren. Als hoofd van een huisgezin, geloof ik, dat ik doen kan wat ik wil. Vooral wanneer dat voor 't best is van vrouw en kinderen. Maar in plaats dat te erkennen, ga je mijn gast op deze wijze beleedigen en je aanstellen, of je nooit eenige manieren hadt geleerd. Om dáár binnen te komen, je hoofd in de deur te steken, en dan te roepen: "Karel laat je niet lijmen!" Neen dat is toch waarlijk een beetje al te erg. Ik heb me doodgeschaamd voor dien meneer Broek

[23:]

man. Hoe is 't mogelijk dat je je zóó door je humeur kunt laten regeeren."
Geen antwoord meer van Thilde. In zenuwachtigen haast zat ze sigaretten te rollen, de vingers beefden echter van inwendige agitatie.
"En nu wil ik hebben, dat je je fout redresseert. Ik heb al half en half mijn excuses gemaakt tegenover dien Broekman, maar ik wil hebben, dat jij dat ook doet. Overmorgen komt hij hier, ik heb hem ten eten gevraagd, en ik wil hebben dat je hem je excuses aanbiedt."
"Neen dat doe ik nooit was 't antwoord. Denk je dat ik me tegenover zoo'n man wil vernederen?"
"Maar ik wil het? Ik wil niet hebben dat mijn gasten, in mijn huis, door mijn eigen vrouw worden beleedigd zooals jij dat hebt gedaan!"
"'t Is allemaal je eigen schuld, waarom doe je dan ook dingen die je niet kunt verantwoorden," zeide zij.
"Ik heb nog niets gedaan. Ik heb alleen maar met dien man over die zaken gesproken, en hij was zoo beleefd om me alles één voor één uit te leggen; - en toen heb je dat gezegd. Je zult toch wel met me eens zijn, dat je gedrag op zijn minst genomen onpeschoft was?"
"Goed, maar aan dien kerel excuus vragen doe ik niet. Dat moest er nog bij komen," en driftig stond Thilde op, en gooide al de sigaretten die ze in de gauwigheid gedraaid had, op den grond.
"En ik wil het", riep Karel toornig uit.
"En ik doe 't niet", was 't antwoord.
"Nou dan pak je maar je boeltje en je heelen

[24:]

rommel bij elkander, en dan ga je maar naar je ouders terug".
"'t Is goed", antwoordde zij koppig. "Ik zal morgenochtend weggaan", en tegen mij: "Tante, hoort u 't, hij jaagt me weg! O! O, O, wat ben ik toch ongelukkig!"
Bij het avondeten was het natuurlijk zeer ongezellig. Karel at alleen een bordje soep, Thilde raakte niets aan, maar zat bedroefd voor zich uit te kijken. Karel verkocht nog eenige hatelijkheden, zooals: "morgen zijn we goddank alleen", en "wat ben ik blij dat ik weêr eens jonggezel word", en nog andere aardigheden, Thilde echter hoorde dit alles aan en zei niets.
Ook mij smaakte het eten niet. Het was jammer van die heerlijke kapoen met gestoofde djamboe, ik nam alleen een stukje van de borst, en ontfermde me over een drietal flensjes, maar de rest werd heelemaal niet aangeroerd. Na 't eten gingen we allen dadelijk naar bed, en ik dacht bij me zelf: "hoe zal dat afloopen, zal ze morgen werkelijk weggaan?"
Gelukkig liep alles nog al goed af. Ze hielden te veel van elkander en waren te gelukkig met elkander, dan dat het ooit zoo'n vaart had kunnen nemen. Toevallig had Karel 's nachts vreeselijke kiespijn gekregen, en aangezien hij nog al kleinzeerig uitgevallen was, had hij het in de eenzaamheid niet kunnen uithouden, en was naar zijn vrouwtje gegaan om medicijn.
Thilde was ook niet koppig meer. Ze was dadelijk opgestaan om hem te helpen, had watten enz.

[25:]

te voorschijn gehaald, en zoo had zich het booze echtpaar weêr verzoend. Des morgens was alles weêr koek en ei; Karel had een dik gezicht, maar slurpte toch met welbehagen zijn kopje koffie, dat Thilde zoo lekker had klaargemaakt. Samen gingen zij de koeien en paarden eten geven, ik ging maar liever niet meê, ik was dan slechts de fàcheuse troisième, en ik wilde hebben, dat de verzoening volmaakt was.
Toen Karel naar 't kantoor was, vertelde Thilde mij, "dat ze 't goed vondt, dat die meneer Broekman morgen avond kwam eten, en dat ze van plan was om hem allerliefst te ontvangen, maar hem excuus vragen, neen tante, dat is toch een beetje te veel gevergd; goed maken zal ik 't wel."
Den volgenden dag had Thilde een keurig dineetje klaar gemaakt. Er was druivenpastij met bladderdag en roomtaart, en Karel en ik begonnen al te watertanden.
Een half uur voor etenstijd kwam Thilde te voorschijn in een allerliefst lichtblauw japonnetje, dat haar zeer goed stond bij haar blank gezicht en blond haar. De karaffen werden nog even door haar afgepoetst, en ter nauwernood klaar, kwam de bezoeker. Karel was nog bezig, en een weinig verlegen ging ze dus zelve den heer Broekman tegemoet. Wie schetst echter haar schaamte en verlegenheid, toen die meneer zeide: "Zeker mevrouw Huismans? Mijn naam is Broekman, en van avond zal ik niet trachten uw man te lijmen." Groote verwarring bij Thilde, die met flauw stemmetje zei:
"Neemt u plaats, mijn man komt dadelijk."
Gelukkig kwam ik er bij en werd Thilde weêr

[26:]

een weinig meer branie. Zij lachte en praatte heel lief tegen haar bezoeker en schonk hem onophoudelijk whiskey-soda in. Hij scheen nog al een goedhartige joviale man te zijn, heel eenvoudig en niets stijf, en lachte steeds maar meê, zoodat Thilde op 't laatst tegenover hem geheel op haar gemak was. Spoedig kwam ook Karel, en zaten we heel gezellig met ons vieren bij elkander.
"Zeg, Huismans," zeide Broekman opeens, "ik geloof dat je vrouw altijd nog bang is, dat ik jou lijmen zal."
Karel antwoordde niet maar keek donker.
"Ach dat moet u maar niet zoo opnemen" zeide Thilde. "Ik heb u toch niet boos gemaakt. Dat was in alle geval mijn bedoeling niet. Het zou mij spijten als ik u er mee hadt beleedigd."
Flink zoo Thilde! Zij keek even haar Karel aan en hij glimlachte tegén haar. Wie had haar ook kunnen weerstaan! Terwijl zij dat zeide, half verlegen, half smeekend, keek zij Broekman, met haar bruine oogen lachende aan, en dáár was geen mannenhart tegen bestand. Thilde kon onweerstaanbaar zijn wanneer zij wilde.
"Ik beleedigd?" antwoordde Broekman, "volstrekt niet! Ik heb wel begrepen, dat u dat zóó niet hebt gemeend. Het ongelukkigste is echter dat uw man nu heelemaal van geen verzekering meer hooren wil."
"Dat moet hij weten meneer Broekman, ik zal 't hem niet meer afraden."
"Neen dàt is uit" zeide Karel. "Ons tractement is te klein, en "moeder de vrouw" kan toch niet rondkomen. Dus later maar!"

[27:]

Spoedig daarop gingen we aan tafel. Alles was overheerlijk, en "Broekie" zooals Thilde hem noemde, at van alles. Zij zelf schonk hem de wijn in, dronk met hem, praatte en lachte dat 't een lieve lust was, en toen 't diner afgeloopen was, ging zij voor de piano zitten en liet eenige harer mooiste liederen hooren.
Broekman was geheel verrukt en toen ze even uit de kamer was zeide hij vol enthousiasme tegen Karel, "Kerel je hebt een charmant vrouwtje!"
"Dat zeg je zeker om me te lijmen" antwoordde Karel, "Maar je lijmt mij toch niet! suikerbeer!!"


inhoud | vorige pagina | volgende pagina