doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Augusta de Wit: De godin die wacht
Amsterdam: Van Kampen & Zn, 1903


[126:]

Nadat hij die woorden op een toon van voldaanheid met zich zelven en met zijn ambt geuit had, ging hij weder zitten, zijn baadje recht trekkend.
De President greep onder de vouwen van zijn tabbaard, haalde een zakdoek te voorschijn, dien hij uit de plooi schudde, en dweilde zijn gezicht af, daarna naar een droog hoekje zoekend om er zijn lorgnet mee te poetsen.
"Ahem!... Panghoeloe!’ zei hij terloops.
De priester verhief zich om zijn altijd gevraagd en nooit gevolgd oordeel uit te spreken, dat berustte op de wet van den Profeet.
"Ik acht de schuld bewezen, en oordeelde dat de bedrieger gestraft moet worden met het afkappen van zijn rechterhand!’ zei hij plechtig.
De President keek op zijn horloge; het was bij tweeën. Hij haastte zich met het resumeeren der feiten, een overzicht van het geval gevende dat zijn Inlandsche ambtgenooten in staat moest stellen er een oordeel over te vellen.
Van Heemsbergen zag de rechters van Pah-Tasmie aan: den breeden zwart-getabberden Hollander, die zijn rechts-idee geërfd had van de Romeinen, van de oude, die de stad bouwden, en van hun op Corsica nágeboren zoon; de twee

[127:]

Inlandsche edelen, gewend tastelings naar den weg te zoeken in dien doolhof van onbegrepen voorschriften, onzekere overleveringen, op gezag aangenomen uitspraken, den Adat; den als Arabier verkleeden priester, in de rechtszaal een ledepop, in de dessa een beslisser boven alle wetten, die in de van woestijn-zand doorstoven moskeeën van Mekka zijn hersens had laten persen en wringen door spitsvondige uitleggers van den Koran.
En hij kreeg den indruk of hij daar belichaamd zag drie ongelijke beschavingen, drie hemelsbreed van elkaar verwijderde Verledens, op deze plek en dit uur bijeen als uitheemsche dwingelanden van het Heden.
"Zóo staat dus de zaak,’ eindigde de President.
Hij wendde zich tot den Wedana die, als jongste, het eerst zijn oordeel moest uitspreken.
"Wat zal hij zeggen?’ dacht van Heemsbergen.
Wetend hoe voor den dessa-man, die met het hart aan zijn geboortegrond zit vastgegroeid, deportatie een verminking is waar de dood op volgen kan, wachtte hij in spanning.
"Ze zullen toch dien onnoozelen hals niet als een misdadiger straffen!’
Maar tegelijk zei hem zijn kennis van de wet dat de rechters niet anders zouden kunnen.

[128:]

"Dus drie jaar dwang-arbeid buiten den ketting en driehonderd gulden boete, subsidiair zes weken dwang-arbeid,’ herhaalde de President de uitspraak van den Wedana en van den Regent.
De geelvink ging den beklaagde en de getuigen halen om het vonnis te vernemen.
Pah-Tasmie hoorde zijn schuldig-verklaring met volkomen gelijkmoedigheid aan; zijn onbewogen gezicht scheen te zeggen:
"Het heeft zóo moeten zijn!’
Maar toen hij uit de vertaling van den sierlijken Djaksa zijn vonnis verstaan had, werd het glanzige bruin van zijn jongens-gezicht grijzig.
De cipier moest hem tweemaal aanstooten voor hij begreep dat nu alles uit was en hij heen moest gaan, - heen uit de Regentswoning nu, en heen van zijn erf, heen uit zijn dessa, heen uit Java misschien, straks.
Werktuigelijk maakte hij zijn "sembah’ en ging.
Van Heemsbergen had hem in meewarigheid gadegeslagen. Maar onbekend als hij nog was met de Inlandsche physionomie, verstrakt door eeuwig-en-erfelijk zelf-bedwang, ontging hem het verschieten der kleur van dat in elken trek en lijn rustige gezicht. En Pah-Tasmie naziende, dacht hij:

[129:]

"De straf lijkt mij buiten alle verhouding. Maar of hij ze zelfs maar voelt?’
De President ging zijn toga en zijn plechtigheid uittrekken, en kwam van achter het scherm weer te voorschijn in zijn wit linnen jasje, slof moe en gapend van den honger. Zich de woorden herinnerend die zijne vrouw hem dien ochtend nog bij het wegrijden had nageroepen, vroeg hij van Heemsbergen te eten. Maar hij vond het niet onpleizierig dat de jongeman bedankte, hoewel hij zich met eenige wroeging de leege schotels voorstelde die de gasten van de vendutie waarschijnlijk op den logements-disch hadden achtergelaten. Om tegelijk zijn zin en zijn geweten te bevredigen bracht hij zijn griffier naar huis en inviteerde hem met bijzondere hartelijkheid voor een volgende maal. "Wanneer hij hoopte gelukkiger te zullen zijn.’
Uit de achtergalerij van het hôtel klonk de schorre stem van den vendumeester, en daarop een daverend gelach, waar het trompet-geluid van den planter boven uit schetterde. Van Heemsbergen deed zijn kamerdeur achter zich dicht.
"Nu heb ik werkelijk “heel Soemberbaroe” gezien,’ dacht hij. "Het smalle blanke en het breede bruine gezicht van den Janus-kop.’

[130:]

Er lag een brief op zijn tafel - uit Batavia nagezonden, zag hij aan den poststempel.
Hij was van Ada - haar eerste!
Van Heemsbergen scheurde de enveloppe open, en vloog door den brief heen als een jongen door een rooden appelboomgaard, in éen ren en adem, niet wetend wáarheen het eerst te grijpen, en dan, aan het eind, stilstaand en bedaarder weer van voren af aan, genietend nu bij elken stap. Hij lachte van blijdschap terwijl hij las, stilhoudend bij alle de liefste woorden, waar de klank van haar stem hem uit tegenkwam en de opslag van haar oprechte oogen.
Hij had tweemaal van begin tot eind alles overgelezen, vóor hij, nadenkend, begreep dat hij eigenlijk een geheel anderen brief van haar verwacht had, en dat het het groote verschil was dat hem zoo blij maakte.
Was dat Ada die zoo vroolijk-lief schreef? Hij zag haar voor zich of ze daareven de deur had opengedaan om hem toe te lachen. Het bleeke steen-strakke gezicht, dat hij sedert het afscheid altijd weer voor oogen had gehad, was verdwenen als een wit nachtneveltje voor de morgenzon.
"Hoe is het mogelijk dat ik haar ooit voor

[131:]

melankoliek gehouden heb?’ dacht hij verwonderd. "Of je een leeuwerik hoort òpgaan. Koel - dat had ik toen al gemerkt, dat ze dat niet was....’ Zooals hij al ontelbare malen gedaan had, maar in een geheel anderen geest nu, herdacht hij zooveel wat zij gedaan had en gezegd en wat in haar oogen verschenen was nu en dan in die moeielijke weken tusschen de verloving en het afscheid, terwijl ze, pas door haar vader alléen gelaten, tegenover allen moest staan om hem. Hij begreep voor het eerst hoe haar aangeboren schuchterheid en het overheerschende in zijn liefde haar hart, dat op het opengaan stond, bekneld hadden, en hoe die plotseling-uitbrekende hartstochtelijkheid bij het afscheid nemen als het onweer geweest was dat na een onzeker voorjaar eensklaps de lente het land in laat, met blauwte en zonneschijn en een menigte bloemen - aan alle kant wat te voorschijn springende menigten!
Hij sprong op en liep een paar maal de kamer op en neer, de handen op den rug, glimlachend.
Toen nam hij den brief weer op, en zocht naar iets waarvan 't hem voorstond, dat het belangrijk was, maar waar hij in zijn blijde haast toch overheen geloopen was. Hij vond het ten laatste in een fijngekrabbeld P.S.

[132:]

"Daareven is een oude vriendin van Mama ons komen opzoeken, zoo pas uit Indië terug. Mevrouw Meerhuys, wier man indertijd controleur van Soemberbaroe is geweest, - het is een klein plaatsje in het Cheribonsche, heb ik op de kaart gezien. Ze vertelde zoo heerlijk van het prachtige landschap, ik zag het voor mijn oogen - als je dáar eens geplaatst werdt!’
"Dat is toch al een heel bijzonder toeval,’ dacht van Heemsbergen. "Iemand, die aan telepathie en die soort dingen geloofde, zou zeggen, dat zij den directeur van justitie gesuggereerd had, me hier naar toe te zenden.’
Het gele gezicht met de moede oogen achter de brilleglazen en de romantische gedachte maakten elkander belachelijk in zijn verbeelding.
"Zij heeft iets van dien aard gedacht, toen ze mijn telegram kreeg, daar ben ik zeker van,’ dacht hij weer glimlachend.
Hij nam haar portret in handen en beschouwde het fijne, langlijnige gezicht met den gevoeligen mond.
"Sentimenteeltje!’ zei hij.
Toen de stukken naar zich toe trekkende, die hij van de terechtzitting had medegenomen, begon hij een kritische herlezing van Pah-Tasmie's proces.

[133:]

Maar hij zag toch nog even op om Ada toe te knikken.
"Kijk jij maar toe, met je lieve gezicht - dat helpt!’
Hij bracht een paar uur door met het vergelijken van feiten en verklaringen, zijn eigen vermoedens toetsend aan het resultaat; en kwam ten laatste tot een inzicht in de zaak, waarbij Hendriks' gezegde van dien ochtend, over Singadikrama als werktuig in een geoefende hand, het rechte woord op de rechte plaats bleek. Het leed geen twijfel of de Arabier had de geheele zaak op touw gezet, van het begin tot het eind alle draden in handen gehouden, en Singadikrama, Pah-Tasmie, Pah-Djas, Ngalipan en zelfs den Djaksa als spoelen heen en weer geworpen in een weefsel, waarvan bedrog de schering was en de inslag. Maar hoe hij zocht en probeerde, hij vond geen houvast voor de wet aan den sluwaard.
"Hij is er thuis in, de schobbejak, - heel wat beter dan mijn president, zou ik zeggen, - hij is hun allemaal te slim af geweest, behalve Hendriks, naar het blijkt. Ik moet toch zien, dat ik dien wat nader leer kennen,’ was het slot van zijn overpeinzing.
Hij schoof de papieren op zij, stond op en ging naar buiten, zijn armen uitrekkend met gesloten

[134:]

vuisten, en met een diepen ademtocht de frissche lucht inhalend.
Het was al laat in den namiddag. De grijze wolken, die laag gehangen hadden, den geheelen dag, waren opgetrokken. Uit het westen scheen roodachtig de zon.
"Daar is ze!’ dacht hij. Sedert zijn aankomst in Indië was het de eerste maal dat hij haar zag; het leek als een voorteeken.
"De brief van Ada en mijn eerste zitting en de zon voor den eersten keer, dat komt goed bij elkaar! Hè! als ik nu eens een flinken rit kon doen!’
Hij dacht aan de manege in Leiden, en aan het mooie Australische paard op de vendutie dien ochtend. Of dat al verkocht was?
Hij zond zijn jongen om te gaan vragen of de vendumeester nog in het hôtel was.
Een oogenblik later kwam de man met den bediende, die het gezadelde paard bij het hoofdstel hield, achter zich aan. Een van de houtvesters had het gekocht, zeide hij, maar hij wilde er graag weer van af.
"Hij kan het niet baas, denk ik,’ voegde hij er lachend bij.
Van Heemsbergen bekeek het mooie dier; het

[135:]

beviel hem nog beter dan dien ochtend, met zijn fijne beenen, den roodachtigen gloed in zijn neusgaten en zijn vurige oogen en dien zweem van goud over zijne huid, waarop de zon in ringelglansjes speelde. Het kromde den nek met een statige gratie.
"Hoeveel?’ vroeg hij
"Onnes heeft er vijfhonderd voor gegeven.’
Van Heemsbergen dacht een oogenblik na.
"Nu, 't komt er ook niet op aan, ik neem hem.’
"U kunt het bij payementen afdoen, dat is de gewoonte hier.’
"Mij goed!’
Hij liep naar binnen om zijn zonnehelm en om de karwats en de rijlaarzen, die hij, haastig alles door elkaar smijtend, onder in een koffer vond; legde de hand op den hals van het paard en sprong in het zadel.
De Australiër steigerde, den kop omhoog werpend, deed een paar zijsprongen en trappelde snuivend heen en weer, onrustig onder den vreemden zit en de onbekende hand die hij aan de teugels voelde.
De toekan-koedah in den blauwen kiel kwam aangeloopen.
Maar van Heemsbergen had het paard al in

[136:]

een handgalop het pad rondom het grasperk opgebracht, het hek uit en den straatweg af: daar draafde hij heen.
De zon was nu doorgekomen. Alles schitterde, het jonge geel-groene loof der boomen, de heg met haar vuurroode bloemen aan den top, het natte gras langs den weg. Voorbij de bocht, waar de Inlandsche erven ophielden, lagen wijduit, links en rechts, de rijstvelden, in een breede langzame stijging opgaand naar de heuvels.
Het water van de moerassige akkers flikkerde bij plekken en strepen tusschen het dunne jonge groen. Een ploeger, die met zijn plassende karbouwen uit een blank staand veld kwam, scheen te bewegen door een meer van licht. De heuveltoppen blonken.
Van Heemsbergen keek er naar zonder te zien, alleen maar voelend hoe het rood en goud iets in hem aan het schitteren maakte, zooals het de heuvels deed schitteren en het spiegelige water op de rijst-velden. Zijn paard ging stapvoets den klimmenden weg op. Hij dacht er aan dat zijn levens-werk nu begonnen was, en dacht het met blijdschap.
De twijfel dien hij dien ochtend gevoeld had tegenover de onontraadselbare Inlander-gezichten

[137:]

was verdwenen zooals de doffe grijsheid van den dag verdwenen was in de glorie van den zonsondergang.
Al wijder, naarmate hij klom, al wijder werd de horizon om hem heen, al wijder werd het veld voor zijn wil en gedachten, voor het nieuwe leven dat hij nu, op dézen oogenblik, begon.
Nu ging het weer heuvel-af.
Zijn paard begon te draven, sloeg na een oogenblik in galop.
Hij gaf zich mee met de veerkrachtige op-en-neer beweging. Daar was iets aanstekelijks in die snelle kracht.
Het ging door hem heen, van de punten zijner voeten, waartegen hij de stijgbeugels voelde, tot in zijn hoofd, waarin de gedachten sprongen en galoppeerden. De suizende lucht werd muziek om hem heen. Voor hem uit, hoog tegen de rozige lucht, blonk de Tjeremai. Hij had een gevoel of hij die schitterende spits met éene hand zou kunnen grijpen, dat zij er van schudde. Als een erfgenaam door zijn nieuwe heerlijkheden reed hij door het blinkende land.
"Vooruit, en “er” op af!’


inhoud | vorige pagina | volgende pagina