doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Mina Kruseman: Een huwelijk in Indiè
's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1873


[209:]

V I J F E N T W I N T I G S T E H O O F D S T U K
PLANNEN

Zeven meiden aan het werk! Kieltjes, buisjes, broekjes, zakdoeken, sokjes, alles lag verspreid over den planken vloer der boven voorgalerij en te midden dier bekende voorwerpen, een vol stuk flanel, eenige ellen grijs en donkerbruin laken, wollen kousen, dikke gebreide kinderborstrokken, handschoenen, cache-net enz. enz.; men wist geen raad van de warmte als men al dat wollen goed aanzag in een hitte van drie en negentig graden.
Arme kinderen! Zij zullen spoedig hunne drie en negentig graden missen en terug wenschen als ze in al dat wollengoed gepakt, met bevroren gezichtjes en verstijfde handjes denken zullen aan hun zonnig moederland, en aan de wijde katoenen h a n s o p waarin ze vrij en luchtig rond konden springen, als apen in het woud.
Arme Louise! Zij wist niet veel meer dan de kinderen van hetgeen hun te wachten stond in het heerlijke Nederland, dat haar, doorgaans voorgeschilderderd als de bakermat van roode kool en aardbeziën, van sneeuwballen, schaatsenrijden, tulpen, hyacinthen, nachtegalen, seringen, jasmijnen en kersen. . . Dat was het kinder-Nederland van den resident, de herinneringsdroom

[210:]

van de meeste Hollanders. Maar het wezenlijke Vaderland? . . het koude, dampige, donkere plekje grond, met zijn waterschat, zijn handelsgeest, zijn bevrozen geniën, zijn Louise wist niet meer dan de kinderen. Toch drong haar fijn vrouwelijk instinkt vrij ver door in de schemering der ongekende werkelijkheid. Zij gevoelde koude en ontbering voor de arme kleinen, in dat verre land waar niemand ze kende, niemand ze lief had, niemand belang had bij hun geluk.
"'t Is wreed," had zij tegen den resident gezegd, "die schepseltjes in handen van menschen te stellen, die niets met hen gemeen hebben."
"Zij moeten leeren", had hij barsch geantwoord, "en wanneer een jongen wat mishandeld wordt, leert hij het best."
"Maar ze zijn nog te jong om te leeren, en welk nut kan de mishandeling alleen dan hebben?"
"'t Is altijd goed voor jongens onder vreemden te zijn."
"Maar die vreemden zullen u geld kosten en hen ongelukkig maken. Is dat het doel dat gij beoogt?"
"Provisionneel beoog ik geen ander doel dan ze ver van hier te hebben. Hollanders moeten het worden en geen liplappen - nuttige leden der maatschappij en geen leegloopers, denkende en handelende wezens en geen domme, lamme kleurlingen, die onbruikbaar zijn voor alles.
" K l e u r l i n g e n zijn het," antwoordde Louise kalm

[211:]

"dat kunnen die kinderen niet helpen, maar dat is geen reden waarom zij hier in het land dom en lam zouden opgroeien, en dat Nederland Phenixen van ze maken zal. Ook ben ik niet tegen een Europeesche opvoeding, maar wel tegen het wegzenden van kinderen die zoo jong zijn, dat ze volkomen hulpeloos overgeleverd worden aan menschen, die volstrekt geen reden hebben om goed voor hen te wezen."
"Gij hadt ook geen reden om goed, voor hen te zijn, en zijt het toch geweest - te goed zelfs."
"Had ik geen reden, resident?. . . Of weet gij de reden niet, misschien?"
Er lag zulk een scherp verwijt in haar donkeren blik, toen zij hem deze woorden toevoegde, dat de resident zijne oogen voor de haren nedersloeg en de kamer verliet met een kort en bondig:
"Alles goed en wel, maar hoe het ook zij, aanstaanden Woensdag vertrekken de kinderen naar Europa."
Zij zeide niets meer. Zij oogde hem na, en er sprak een haat uit dien blik, dien hij gevoeld moet hebben, ook zonder hem te zien.
"En dat zijn zijne eigen kinderen. Wat is een mannenhart toch een ellendig ding! Bevelend, koud en wispelturig in het dagelijksche leven, en wanneer het lief heet te hebben, onstuimig, woest, baatzuchtig, wreed, zonder eenig ander doel dan eigenbelang en trots. O, mannen! 't zijn ellendelingen!"
Een blond, slank beeld rees op voor haren geest. . .

[212:]

Blozend bracht zij een onwillekeurige gedachte tot zwijgen.
"Ook hij misschien... ik ken hem niet O neen, hij niet!"

........ . . . . .

Zij knipte wollen kieltjes en flanellen borstrokjes, pakte kistjes vol dun goed en kistjes vol wintergoed, nummerde de kistjes, het hoogste nummer voor hetlaatste, dat was het dikste wollengoed.
"September. . .. het zal Januari zijn als zij in Holland aankomen. Kassian!"
Een flesch suikergoed in het eene kistje, eene doos speelgoed in het andere - hier en daar een pak goelalie, daar een zak vol katjang.
"Njonja, sinjo Willem sakiet." [Mevrouw, de jongeheer Willem is ziek.]
"Wat? Is Willem ziek?"
Zij vond het kind met een heete koorts in bed. Zij gaf het terstond een dosis kasterolie, bracht haar werk in de zieke kamer en zond een oppasser te paard naar de stad om den dokter te halen.
De resident kwam even in de kamer om te zien wat er gaande was, en beweerde dat kinderen zoo dikwijls het een of ander mankeerden, dat men zich over zoo'n koortsje niet ongerust behoefde te maken.
"Maar ziek als hij is, kan er geen spraak van vertrekken wezen" zeide Louise half smeekend.
"Geen spraak van vertrekken! Wel poes, het is pas

[213:]

Maandag van daag; eer het Woensdag is, zijn wij allen dat koortsje vergeten! Ik zie wel dat je niet aan kinderen gewoon bent, anders zou je zooveel lawaai niet maken over zoo'n onnoozel koortsje."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina