doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Cornélie Noordwal: Een Indische neef
Opgenomen in Warendorf's Novellen Bibliotheek nr. XIII: Een feestavond Novellen van Justus van Maurik Jr, Cornélie Noordwal, Wim de Bruijn, Georg Nordensvan en Henri Rutgers.
Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, zr. jr. [oorspr. uitgave 1896:]


VII.

Maar Mientje was nog veel meer over neefs engelachtigheid verrukt en verbaasd toen hij om twee uur kwam, gevolgd door twee baboes Alima en Fatima, die elk een reusachtige doos met zwart zeildoeken deksel aan een riem vasthielden en die in de kamer neerzetten.
Op een teeken van hun meester verdwenen ze als

[45:]

schimmen en hurkten geduldig neer in de keuken, schoon Jans hun wel tienmaal in het Hollandsch (dat ze niet verstonden) te kennen gaf, dat er stoelen waren om op te zitten.
"Kijk eens grootvader en grootmoeder en Mientje, wat ik hier heb, of liever raad eens?"
Ze konden het niet raden en daarom zei hij het maar. Het waren hoeden en mantels voor Mientje, op zicht. "Maar ze heeft niets noodig!" riep grootmoeder.
"Jawel grootmoeder, eigenlijk wél!" riep Mientje, rood en bleek wordend, en neef aanbiddend aanziend. Neef knikte haar maar weer vriendelijk toe. "Ga eens zitten, met je rug naar mij gekeerd, Mientje." Mientje deed 't. Had hij haar bevolen op heur hoofd te gaan staan, zou ze het eveneens gedaan hebben. "Is me dat een kapsel, bah! En ze heeft p ra c h t i g haar! Je hadt mijn vrouwtje moeten gekapt zien en mijn schoonzusters te Batavia. Gauw weg met dien leelijke knoedel!" Dit zeggende trok hij al de dikke, groote haarspelden, ongeveer twee dozijn, waarmee de knoedel in elkaar was gemetseld, er uit en het prachtige, dikke haar golfde welig over Mientjes rug. "Ja, dat is mooi!" betuigde grootvader, die het haar nooit uit elkaar gezien had, "maar zóó kan ze 't toch niet dragen." "Neen zoo niet, maar los, chique, volgens de nieuwste mode. Ga jij maar eens naar boven, Mientje en kom gemetamorphoseerd terug, ja? Maar laat die scheiding en de geplaktheid achterwege. Sluit een meisje op in een onderaardschen kerker en ze zal heur haar volgens de mode weten te doen, dus jij kunt 't ook. Nu vooruit maar!" Blozend liep Mientje

[46:]

weg om tien minuten later sierlijk gekapt te voorschijn te komen. "Kijk eens aan, brani, hoor!" riep neef. "Je hebt je best gedaan. Hoe vinden de grootouders 't ?"
Nu zij konden niet anders zeggen dan dat ze 't mooi vonden, en ze kregen een ferm standje van neef, dat ze Mientje zoo leelijk gekleed en gekapt lieten gaan. Pas nu eens een mooi hoedje op!" voegde neef er bij. "Neen, geen zwart", neerknielend bij de open doos. "Een donkerblauwtje."
Mientje zette het bevend van vreugde op, en allen schreeuwden het uit, zoo lief stond 't haar. Jans stond de glazen in de keuken te zeemen, maar Dammers trok haar van de trapleer, en zij moest mee komen om te kijken. "I s ze dat!" riep ze, "gunst, ze is een d a m e!"
"Dat is ze ook, ja? Geen kind uit een gesticht!" riep neef, die dikwijls een stoet weesmeisjes zijn hotelraam zag passeeren, en er dan innig mee te doen had. "Nu een mantel ook, ja?"
De mantel werd ook aangedaan en het bruine laken kleedde uitstekend bij het blauw fluweelen hoedje.
Grootvader en grootmoeder liepen opgetogen om Mientje rond en Mientje had wel willen dansen.
"Wat zullen de buren zeggen?" riep de oude dame.
Maar het kon Mientje niets schelen, al schreeuwde de heele stad er wraak over.
"Bedank me nu eens!" zei Dammers, haar verrukt om en om draaiend. "Lieve neef, ik dank u duizendmaal!" en ze drukte hem de handen.
"Ja maar dat gaat zoo niet!" riep de Indiër en hij wilde Mientje naloopen om een kus, maar zij

[47:]

smeekte zoo hartroerend om genade, dat hij van dit plan maar afzag.
"Als wij nu nog een nieuwe japon voor haar hebben, kunnen we onze engagementsvisites gaan maken!" juichte hij. "Ja, Mientje?"
"Neef!" stamelde Mientje, die niet recht wist of hij háár wel bedoelde.
"Neef!!"" riep grootmoeder ontzet.
"Neef!!" knirpte grootvader verschrikt.
"Neef!!" gilde Jans, want Jans wist niet wat ze zei.
"Niet zoo'n soesah maken, hè? 't Ligt in de rede, dat Mientje eens trouwt. De dominee mag ons huwelijk inzegenen, ja? En Mientje zal een lief moedertje voor mijn kinderen zijn. Mag ik haar hebben? Wat zegt Mientje?" hij nam haar gezicht tusschen zijn twee handen. Mientje zette alle bedeesdheid aan kant, haar levensgeluk stond op het spel en ferm en duidelijk zei ze: "Ja neef!"
Toen bukte neef zich. . . en Jans keerde zich maar om. . . 't Was anders zoo naar voor 't schaap.
De grootouders wilden nog wat zeggen, maar neef legde hun het zwijgen op: "Bent u zélf niet getrouwd, hè? Ja? O, dan heeft u niets te zeggen als een ander het ook wil doen. Sedert den dood van mijn vrouwtje heb ik een naar, eenzaam leven geleid, en nu viel 't me dadelijk op hoe lief Mientje voor mijn kleintjes was en dat ik haar nog gelukkig zou kunnen maken, nadat ze 't hier alles behalve pleizierig heeft gehad, soeda!"
"Ja dat wéten we nu!" bromde grootvader, maar

[48:]

neef schudde hem en grootmoeder zoo hartelijk de hand, dat hij niet meer brommen kón. Toen kuste neef Jans en Mientje en grootmoeder, en gingen hij en Mientje en de oudjes huizen zien, en ze vonden een aardige woning, half villa, half heerenhuis, die neef voor een jaar huurde.
"En dan gaat Mientje naar 't apenland?" klaagde grootmoeder.
"Ja, dat doet ze, en wij nemen de twee jongste kleuters mee. Piet en Albert blijven hier, gaan bij den directeur van hun school in den kost, en zijn in de vacantie bij u. Mag dat?"
"Ja, zeker!" riep grootvader, en grootmoeder riep het ook.
"Wij trouwen over drie maanden, want zoo lang geëngageerd te zijn is vervelend!" besloot de haastiggebakerde Dammers. "We blijven een jaar hier, en onze huwelijksreis zal naar Parijs en Italië zijn, hè Mien? En om de drie jaar komen we eens naar Holland, soeda!"
"Ik begrijp niet, dat er zooveel geluk op aarde bestaat!" zei Mientje, zijn hand grijpend.
De heele stad Ramsdijk keek de oogen uit toen Mientje gearmd met haar neef de nauwe straten doorwandelde, en de vriendinnen staarden zich bijna blind op de verlovingskaarten met niets anders dan: Wilhelmina van Duren ter rechter, James Dammers ter linkerzijde en "verloofd" er onder in heel kleine lettertjes.


inhoud | vorige pagina