doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Thérèse Hoven: Zuster Linda
Amsterdam: Van Holkema & Warendorff, 1912
(serie van hedendaagse romans)


[176:]

HOOFDSTUK XI.
O n a a n g e n a m e V e r r a s s i n g e n.

Het feest van de Meisjes Hoogere Burgerschool, waarop als contra-beleefdheid voor de uitnoodiging om op hun jaarlijksch bal te komen, ook de Heeren der Broeder-Inrichting zijn gevraagd, blijkt een groot succes. Netty Zuidhoff is lang niet een der minsten.
Ze is heel populair bij de Haarlemsche jeugd, heeft haar aardige rol allerleukst gespeeld en heeft haar balboekje reeds vol, als andere meisjes slechts één of twee dansen ingevuld hebben.
Mevrouw Zuidhoff krijgt allerlei complimentjes over haar dochter en ook over Leo, die er zooveel beter uitziet. 't Is of al de aanwezigen haar aangenaam willen zijn en iedereen haar iets liefs wil zeggen.
Natuurlijk wordt ze ook met vragen overstelpt omtrent haar man, die eigenlijk tot nu vrijwel een problematische persoon is geweest. Het is, alsof de uitgaande wereld der Spaarnestad, voor zooverre op het feest vertegenwoordigd, haar nu pas voor vol erkent en de thuiskomst van haar echtgenoot haar een stempel van echtheid geeft, dien ze vroeger miste.
Ze tracht elke opwelling van sarcasme en spot te bedwingen en de toeschietelijkheid der verschillende ouders en leeraressen voor vriendelijkheid op te nemen.

[177:]

Ze vindt het natuurlijk ook heel prettig dat haar dochtertje zoo in den smaak valt; Netty is gelukkig niet verwaand of coquet en 't zal haar geen kwaad doen. Integendeel, haar moeder hoopt, dat haar succes haar zal doen beseffen dat ze geen kind meer is en haar wat meer meisjes-achtig zal maken.
Ook ventje heeft schik en eigenlijk moest ze zich heel tevreden en voldaan gevoelen en toch constateert ze bij zich zelf, dat dit niet 't geval is. Ze is voortdurend angstig en gejaagd; zou maar 't liefst heel vroeg, dadelijk na 't comedie-spelen, als 't kon er vóór, naar huis gaan, maar 't kan niet.
De directrice heeft de feest-commissie doen beloven, dat het niet laat zou worden. Ze heeft de leden in alles vrij spel gelaten, doch uitdrukkelijk bedongen, dat het laatste rijtuig de straat uit zou zijn, vóór de kerkklok den eersten slag van 12 uur zou slaan. Het feest moest om half twaalf afgeloopen zijn met een half uur speling voor het inpakken en vertrekken.
De Zondag moet geëerbiedigd worden en ook de jeugd der jongere gastvrouwen en gasten.
De partij is om zeven uur precies aangevangen, dus zijn er toch heel wat uren om aan het vermaak te wijden.
Netty behoort nu toch tot de grooteren, ze zit in de 4e klasse; geen denken dus aan vroeger weggaan.
Leo houdt zich van tien uur af schuil, uit angst van naar huis te worden geëxpedieerd.
Als de meeste zenuw-patiënten, voelt hij zich

[178:]

's avonds 't prettigst; opgewekt en vroolijk! 't Is dan ook heerlijk zoo'n feest en hij is zoo lang klein gehouden.
Voor 't eerst is Albert er niet bij, hij is dus Nettys cavalier.
Hij is heel trotsch op zijn groote zus en geniet van haar optreden.
In het naar huis gaan is hij nog vol van de pret en in het rijtuig praat hij onophoudelijk door.
Netty is ook heel gelukkig, maar toch wel wat moe en dan vindt ze het jammer, dat het al weer voorbij is en het een jaar moe duren, voor er weer zoo n feest is.
De fuif van haar eigen school is, voor haar, nec plus ultra van levensvreugde.
"Vond-u 't ook leuk, Ma?" informeert ze.
"Ja, zeker, kind, maar ik ben toch heel blij, dat het achter den rug is."
"Ik niet", kondigt Broer aan, "ik had best den heelen nacht op kunnen blijven. Als ik student ben, ga ik ook heerlijk fuiven. Dan heb-je zoo iets elken avond, niet waar, Ma?"
"Nu, dat hoop ik niet, dan zou er niet veel van je studie terecht komen."
"O! dat is minder", zegt Broer overtuigend.
"Student-zijn is hoofdzaak en studeeren iets van ondergeschikt belang."
"Dat zal je wel anders geleerd worden", plaagt Netty, maar Broer hoort het niet, verdiept als hij is

[179:]

in de pret visioenen van wat hem als student te wachten staat.
Als het rijtuig stil houdt en ze binnenkomen, nadat Mevrouw Zuidhoff de huisdeur met den sleutel heeft gëopend, zegt ze: "Nu, stil naar boven, kinderen, en vooral geen leven maken, denk om Papa."
"Mogen wij Papa niet even goedennacht zeggen en vertellen van al 't pleizier?" vraagt Leo.
"Nee, zeker niet. Papa moet heel rustig gehouden worden. Jelui moet heel voorzichtig zijn met de deuren en vooral je laarzen niet neergooien, Broer. Maar, wat is dat?" vraagt ze, plotseling, op angstig en toon. De deur der eetkamer staat aan en door de opening heen klinkt een zonderling geluid haar te gemoet, iets als 't brommen van een hond of 't blazen van een kat.
Netty hoort 't nu ook en zegt bevend: "Wat, zou 't zijn, Ma? Dieven?"
"Natuurlijk niet, die maken immers geen leven," antwoordt Leo, heel wijs. "Zal ik Betje roepen dat ze licht aansteekt?"
"Betje zal naar bed zijn", meent Mevrouw; naar de keuken gaande, merkt ze, dat het er pikdonker is.
"Als u wilt zal ik een agent roepen. Ik durf best," biedt Leo aan, die plotseling grooten moed ontwikkelt.
't Intenser worden van het vreemde geluid wekt bij Mevrouw Zuidhoff insgelijks den wensch op naar vreemde hulp.
"Weet-je wat je doet, Leo", zegt ze. "Ga even naar

[180:]

de apotheek aan den overkant; daar is licht iemand op en vraag meneer even te komen kijken. Ik denk, dat er een vreemde hond is. Netty, ga jij naar Papa, dan blijf ik hier, maar zeg vooral niets en wees niet te druk. Loop zachtjes, Papa slaapt misschien wel."
Enkele minuten later komt Leo terug met den apotheker en zijn assistent, die toevallig beiden nog op en in de kleeren waren, doordat er eveneens een fuif was.
De chef heeft zich met een revolver gewapend en de bediende met een pook en, wat eigenlijk wel zoo praktisch is, met een zaklantaren.
Zonder dralen treden ze binnen en weldra ontdekken ze "de bron van het geluid," gelijk de assistent het noemt.
Zijn eerste werk is de gaslamp boven de tafel aan te steken, terwijl schudt zijn baas de nog altijd slapende en snorkende meid bij den arm en zegt, op onzachten toon: "Zeg, zou je niet eens wakker worden ?" Dan zich naar Mevrouw Zuidhoff wendende, fluistert hij: "Stomdronken!"
Leo, die er bij is gekomen en 't geval heel interessant vindt, biedt nogmaals aan de hulp der politie in te roepen, doch Mama verzoekt hem er zich niet verder mee te bemoeien en stil naar bed te gaan.
Dan zegt ze tot den gedienstigen buurman: "Wat raadt u mij te doen?"
"Ik zou haar stil laten alapen, als ik u was," klinkt 't kalm.

[181:]

"Toch niet zoo - met haar hoofd op de tafel?"
"Wacht, we zullen zien haar naar dien langen stoel te transporteeren. Verkloek - help je even; kijk, zoo dragen ze de patiënten in de gasthuizen. Dat weet ik nog uit den tijd, toen ik militair apotheker in 't hospitaal was zoo voorzichtig. 't Is een massief vrachtje. Zoo, nu 't kussen onder haar hoofd. Allemachtig, die kan me slapen! Ik durf u de verzekering geven, Mevrouw, dat ze doormaft tot den morgen. Hebt u misschien een deken of anders een tafelkleed bij de hand?"
Als Betje op den Singapore-stoel ligt, dien meneer Zuidhoff op de mailboot gebruikt heeft, en die nu in de serre staat, treden de heeren weer de eetkamer binnen en de cognac-flesch ziende, raadt de apotheker Mevrouw Zuidhoff aan, die maar weg te sluiten. Dan neemt hij afscheid, zijn hulp voor verdere gevallen aanbevelende en vertrekt, door zijn assistent gevolgd.
Mevrouw bedankt ze beiden doet de deur op nachtslot en na zich overtuigd te hebben, dat alles verder in orde is, maakt ze het licht in de gang uit, zonder te vermoeden, dat het door Linda werd aangestoken.
Ze is erg onder den indruk van 't geval.
Een dronken meid in huis is haar nog nooit gebeurd.
Ze weet zeker, dat ze er den heel en nacht aan zal denken, en geen oog dicht zal doen. En ze is zoo verschrikkelijk moel Met de grootste inspanning sleept zij zich de trap op.

[182:]

Haar man is juist ontwaakt. Hij beweert een heelen tijd geslapen te hebben.
"Toch niet den heel en avond?" vraagt ze, onwillekeurig, in dat geval voor een slapeloozen nacht vreezende.
"Nee. . .. dat niet. Ik heb eerst twee maal ingenomen", biecht hij op.
"En hebt u zich niet verveeld, arm Paatje, zoo alleen?" vraagt Netty, op meewarigen toon.
"Ik heb bezoek gehad van tante Francine," vertelt hij.
"Kom, Netty, ik zal je jurk even los maken en dan vlug naar bed," zegt Mama. Dan schudt ze zijn kussen nog eens op en vindt een fijn zakdoekje op zijn laken. . . .
"Kijk eens!" zegt ze, lachend, "heeft tante je omhelsd en toen haar zakdoek laten liggen?"
"Gooi dadelijk in de wasch", beveelt hij, op ongemeen energieken toon, bang dat zij den zakdoek zal ontvouwen en dan zal merken, dat er een L en geen F op staat.
't Is natuurlijk van Linda. . .. dom kind toch!
"Ik heb ergen slaap", zegt hij, zich omkeerende, "nacht vrouw."
Ze buigt zich even over hem en geeft hem een kus, rein en kalm, zonder passie! Verzachtend, als balsem, is die kuische aanraking.
"Nacht, mijn lieveling," fluistert hij. "Was ik toch maar beter, wat heb-je nu aan zoo'n man?"

[183:]

Zijn hartelijkheid doet haar goed. Ze kleedt zich vlug en voorzichtig uit en, tegen haar verwachting, is haar laatst bewust denken, niet aan de dronken dienstbode beneden, doch aan haar man, naast haar, gewijd.
Den volgenden ochtend wordt ze vroeg wakker en dan valt, als een looden last, op haar de herinnering aan haar thuiskomst.
Haastig werpt ze een peignoir om en spoedt ze zich naar beneden. De voorspelling van den apotheker is bewaarheid. Betje slaapt nog steeds haar roes uit.
Daar ligt ze als een inerte massa; alleen haar zware, ongeregelde ademhaling en de roodheid van haar gelaat bewijzen, dat er leven in is. Na haar een paar keer geroepen te hebben, geeft Mevrouw Zuidhoff 't op en besluit zij zelve de handen uit de mouwen te steken. Voor haar een ongewoon iets, want in de eerste jaren van haar huwelijk in Indië had ze steeds bedienden genoeg om alles voor haar te doen en tijdens de jaren, dat ze en pension in Holland was, is ze wel niet verwend door een gesoigneerde verpleging, integendeel, er ontbrak veel aan bij mevrouw Reesing, maar hetgeen zij deed, was meer aanvullen en volmaken dan zelfstandig optreden. Hier en daar stof afnemen; eens wat uitschuieren, glazen of kopjes wasschen; een heel enkelen keer eens iets klaar maken op 't gastoestel in haar kamer, verder strekten haar bemoeïingen op huishoudelijk gebied zich niet uit.
Maar nu? In de keuken is 't een ware chaos!
Een droge, half verbrande ketel staat op een

[184:]

petroleum-machine, die na veel walmen en rooken den strijd opgegeven schijnt te hebben.
Waarschijnlijk heeft Betje het stel aangestoken en er niet meer naar omgezien en heeft het pitje gebrand, tot het zijn eigen dood is gestorven. De rechtbank is beladen met een heterogene verzameling pannen, deksels, borden, schotels, messen, vorken, lepels, vaatdoeken, kliekjes eten. . .. 't is als of alle kasten zijn geledigd en de inhoud er van daar is uitgestald.
't Doet Mevrouw Zuidhoff aan een Indische vendutie denken, maar dan een, waar de kaboutertjes of slechte geesten aan 't werk zijn geweest om alles door elkander te zetten en vuil te maken.
De huisvrouw wanhoopt er aan ooit de orde te herstellen en, in zulk een omgeving, het ontbijt voor man en kinderen te bereiden.
In gewone gevallen zou ze Netty's hulp hebben ingeroepen; sedert ze hun eigen huishouden hebben, heeft ze reeds verscheiden keeren getoond aanleg voor het vak te hebben.
Maar nu ze zoo laat naar bed is gegaan, zou het barbaarsch zijn haar zoo vroeg te roepen.
Het beste is, dat ze boven thee zet voor haar man, zich aankleedt en dan aan tante F rancine telephoneert of zij een harer dienstboden kan missen, of beter nog, of zij soms een schoonmaakster of een noodhulp weet.
Zoodra Betje haar roes heeft uitgeslapen, en dat zal toch wel eens gebeuren, zal zij zien haar te loozen; aan zulk een schepsel heeft ze toch niets.

[185:]

Te lui om iets te doen, altijd brommig en brutaal en dan nog drinken ook! Dal laatste doet de deur dicht en maakt haar oogenblikkelijk vertrek niet alleen wenschelijk, maar zelfs noodzakelijk.
Ze heeft wel eens gehoord, dat het hoogst moeielijk is, een dienstbode op stel en sprong, weg te sturen, dat de wet geheel in het voordeel der ondergeschikten en niet in dat der meesters is, maar ze denkt toch wel dat de toestand, waarin ze Betje heeft aangetroffen en dat in den tijd voor haar werk bestemd, gerekend kan worden onder misdragingen. Zich te bedrinken, aan welk feit vooraf is gegaan, zich te vergrijpen aan het goed van een ander en gevolgd is door een totale ongeschiktheid, - dat alles zal toch wel tot de oorzaken behooren, waarom men een dienstbode kan ontslaan, zonder behoorlijke waarschuwing en betalen van zes weken loon en kostgeld,
Bovendien heeft ze twee getuigen, den apotheker en zijn assistent. Dat alles bedenkt Mevrouw Zuidhoff, terwijl ze haar ochtend-toilet maakt.
De patient voelt zich redelijk en spreekt van uitgaan.
Niet, dat hij er aan denkt, aan Linda's verlangen te gehoorzamen en haar in het hotel op te zoeken. . . . nee! zóó zwak zql hij niet zijn. Hij heeft zich stellig voorgenomen niet meer toe te geven en niet weer onder den invloed van haar bekoring te geraken. Integendeel, hij voelt zich heel sterk, vol vereering voor zijn flinke goede, brave, hoogstaande vrouw. In hem is zelfs een soort van rëactie, die hem den moed zou

[186:]

geven die kleine heks precies te zeggen, waar het op staat. Daarvoor alleen zou hij naar haar toegaan.
Zich schuil houden is toch ook erg laf, zijner onwaardig en tegenover haar toch ook heel kwetsend.
Ze verwacht hem natuurlijk en als hij gewoon weg blijft zonder taal of teeken te geven, zal zij heel beleedigd zijn. Dat heeft ze niet aan hem verdiend.
Plotseling wordt hij week, tot tranen toe bewogen.
Dat de afgematheid na een doorstanen koortsaanval, gedeeltelijk, de reden daarvan is, beseft hij niet.
Hij voelt enkel, dat zij alles voor hem heeft veil gehad, haar meisjes-eer, haar mooie jeugd van twintig jaar, haar goeden naam. . . O alles heeft ze hem gëofferd en hij zou haar zoo maar verlaten, als de eerste de beste deerne, met wie een man een avontuurtje, een oppervlakkig minnekoozerijtje, heeft gehad.
Ze moeten behoorlijk afscheid van elkander nemen, een laatsten, innig en kus, een teedere omhelzing, waarin ze elkander hun jarenlange liefde openbaren en bewijzen!
Ze heeft gelijk, dat van elkander afgaan in den trein was niets en gisteren was 't niet veel beter.
Arme, kleine Linda! Het was toch dapper van haar om bij hem te komen - en hij heeft haar teruggestooten. . O Constance staat naast hem met een kopje thee, zoo even door haar gezet juist zooals Linda den

[187:]

avond te voren bij hem heeft gestaan. Hij voelt een schrijnende pijn, 't is hem als hoort hij een wanklank, als ziet hij een beeld, dat onharmonisch is en vreemd, hij zou niet weten te zeggen, wat hem hindert. . .. Linda's aanwezigheid daar ter plaatse of die van Constance.
"En vertel me nu eens, man", zegt ze, opgeruimd.
"Hoe heb-je het in je eenzaamheid gehad? Ik was voortdurend met mijn gedachten bij je. Aardig van tante Francine om nog even te komen; is ze lang geweest?"
"Niet zoo heel erg. Ik weet 't niet. Eigenlijk voelde ik me heel lam. Nu is 't beter."
"Ik wil je je illusie niet ontnemen, maar ik kan nu niet over je uitzien roemen."
"O! in bed en dat ongeschoren, Wacht als ik op ben, Dan word ik 't heertje, dat zul je zien.
"Kun-je je alleen redden?"
"Nu, als je me een beetje helpen wilt, graag. Ik ben nog wat duizelig; vreemd, dat die koorts een mensch zoo afneemt."
Het opstaan valt hem niet mee; hij voelt zich ellendig. Eigenlijk merkte hij 't al bij 't wakker worden dat hij een slechten dag zou hebben, maar hij heeft zich groot willen houden.
Constance is op spelden en naalden om naar beneden te gegaan; er is zoo'n vreeselijke rommel,.. en dan Betje in de serre,

[188:]

"Zou je niet liever weer naar bed gaan, als je je.gewasschen hebt, man?" stelt ze voor.
"Misschien heb-je gelijk. Als ik even gerust heb, zal 't beter zijn, Geef me eerst nog een poeder, die helpen. . .. als ik zoo slap ben,...
Zoodra hij weer veilig onder de dekens ligt, gaat zij even naar de kinderen. Broer slaapt nog lekker, maar Netty is wakker.
"Mag ik tot 10 uur uitslapen, moeder?" vraagt ze, met lodderige oogen.
"Als je erg moe bent, wel, maar niet uit luiheid, want. . zie-je, ik moet alles alleen doen, Betje is. .. .
"O! dat is waar ook", lacht Netty, "wat een geschiedenis, Slaapt ze nog?"
Ze is nu klaar wakker en wil er alles van weten.
Ze vindt 't geval veel te leuk om er buiten te staan en fluks uit haar bed springende, steekt ze zich met opgewonen spoed in de kleeren.
"Ik zal u wel helpen, Ma; ik vind 't dol."
Voor 't bedrijvige kind, dat in het pension streng uit keuken en kelder werd geweerd en zich nergens mee mocht bemoeien, is 't een nieuwtje om eens wat uit te voeren op huishoudelijk gebied en als zoodanig welkom.
Als Mevrouw Zuidhoff weer in de eetkamer komt, zit Betje op en wrijft ze zich de oogen uit: "Heere, alle menschen, is dat slapen? Jemenee, waar ben ik?"

[189:]

"'t Is wat moois", zegt Mevrouw, op strengen toon, "schaam je je niet?"
"Schamen is direct zoo'n groot woord," begint Betje.
"Wat is er nu eigenlijk gisteren avond gebeurd en hoe kwam je zoo?"
"Dat moet u mijn vragen, Ik word zoo net wakker."
"Denk nu eens goed; toen wij weg waren, schijn je gedronken te hebben,"
"Ik gedronken? Nee, dat mankeert er nog aan, dat u me zoo iets zegt", en Betje barst in tranen uit.
"Toen ik thuis kwam, vond ik je in de eetkamer, slapende met je armen op tafel en ja, 't spijt me, dat ik 't zeggen moet, maar 't is de waarheid, je was beschonken!"
"'t Is me nog al een woord voor een dame! Hoe komp uwes der an? U hep u vergist, hoor. Ik was ziek, Ik had me overspannen met me werk. 't Was me nog al geen herrie en dat op een Zaterdag, 't Is meer as schande, zoo as je hier afgebeuld ,vordt. U denkt zeker, dat we hier in Indië benne, waar je de zwarte slaven maar voor 't commandeer en hebt. . . . .
"Wil-je nu, als-je-blieft, zwijgen? Ik heb meer dan genoeg van je brutaliteit, Je gaat nu maar terstond naar boven; ik geef je een uur om je goed te pakken en dan ga je de deur uit,"
"Wat? Wou, je mij de deur uitzette? 't Zou je bedoen! Dat zou ik wel 's willen zien, hoor. 'k Heb 't meer gehoord, dat je een plaag voor je meiden bent."

[190:]

Mevrouw weet zich waarlijk geen raad. Tegen zulk een ruwen uitval is ze niet opgewassen. Dat nu haar man ook juist ziek moest zijn.
Betje staat midden in de serre, helder wakker nu, met haar handen in de zij, 't beeld van onverzettelijke brutaalheid.
Ze raast en scheldt om bang van te worden. Netty, die op 't leven is afgekomen, wil er zich mee bemoeien, doch ze wordt zoo danig afgesnauwd, dat Mama haar verzoekt liever weg te gaan.
Dit doet ze schoorvoetend, ze vindt het verschrikkelijk haar moeder te hooren beleedigen. . .. wacht, ze zal even naar den overkant toe wippen en hun redder in den nood van den vorig en avond roepen.
Doordat Papa allerlei geneesmiddelen noodig heeft, zijn ze klanten en tevens goede maatjes geworden, trouwens Netty is heel makkelijk in den omgang: "ein flottes Mädel."
"Zoo, jongejuffrouw?" klinkt het vriendelijk, als ze de apotheek binnenstapt. "Komt u bij den pillendraaier of bij den dilettant-rechercheur?"
"Dat kon u wel eens geraden hebben", antwoordt Netty, lachend. En ze doet haar verhaal.
"Dan zou ik toch maar een vakman nemen", luidt het advies. "Ik zal wel even voor u telephoneeren naar 't politie-bureau."
"En als ze nu niet mee wil gaan? U hebt geen idee, hoe ze te keer gaat. Zulk schelden hebt u nooit gehoord."

[191:]

"U niet, maar ik misschien wel", lacht de apotheker.
"Nu, als ik u een pleizier kan doen, ga ik even met u mee, maar eerst telephoneeren."
Als Netty met den dilettant-rechercheur, zooals hij zich zelf heeft betiteld, terug komt, is de toestand nog dezelfde.
"Zeg eens meisje, je moet hier niet zoo'n spektakel maken", klinkt 't forsch.
"Nou, zeg, of 't mijn raakt, wat u beweert. U hèt hier, op alle manier, niks in te brengen. Als ik standjes met me Mevrouw heb, dan is ze mans genoeg om 't alleenig af te doen en ik ook."
"Ik wou je enkel maar aanraden om kalm te zijn. Dat zeg ik je in je eigen belang."
"Ik heb maling an je," verzekert ze, met een gebaar dat evenmin vleiend voor den apotheker is als getuigend voor haar fatsoen.
"En ik ga niet weg", dreint ze, "niet voor mevrouw en niet voor meneer en niet voor de heele santeboutiek! Ik la' me niet de deur uitzetten als een dief. Ik ben een fatsoendelijke meid, vraag 't maar an de heele buurt; niemand hèt er nog ooit een onvertogen woord van me gehoord. Der is niet zooveel op me te zeggen en als jelui nou voortgaat met me zoo te sarren, dan zal ik me vrijer opstoken de glazen bij jelui in te goeien - daar!"
Een rijwiel, dat met full speed de straat is komen inrijden, houdt voor de deur stil. Netty, die de wacht - op de stoep is blijven houden, laat den daarop zitten

[192:]

den agent binnen en brengt hem naar de serre.
Op 't gezicht van dien onverwachten tegenstander, krijgt Betje 't een oogenblik te kwaad, dan herneemt ze haar brutale koelbloedigheid en zegt ze: "Dat doet me nou toch allementigies veel plezier, dat u der een smeris bij hèt gehaald. Die was der nou wel bij noodig. Nee, nou mot u 's hooren, meneer de agent, hoe ze hier in huis benne."
"Je wordt verzocht te zwijgen en Mevrouw te laten spreken", zegt de politie-dienaar.
"Een mensch hèt zen tong toch om te spreken", mokt Betje.
Als Mevrouw vertelt, hoe ze den vorigen avond, bij haar thuiskomst, de dienstmaagd heeft gevonden en hoe ze haar buurman heeft geroepen, die terstond met zijn assistent er bij is gekomen, en dus kan getuigen voor de waarheid van 't geen ze zegt, valt Betje, brutaal, in de rede: "Daar is nou letterlijk geen stom woord van waar, meneer de agent. Weet u, wat ik geloof? Ze hebben me hier wat ingegeven. Precies weet ik 't niet, omdat ze me verdoofd hebben, maar in 't begin van den avond is der hier een verpleegzuster geweest, die heb ik zoo duidelijk gezien als iets. Daar kan ik op zweren en die zeI me wat gegeven hebben om bij meneer te kunnen gaan."
"Maar, Betje, hoe kom-je aan zulk en nonsens?" vraagt Mevrouw, onthutst.
"Waarom jok-je nu toch zoo, meisje?" vraagt de agent, gemoedelijk.

[193:]

"Dat is geen jokken...
De apotheker knikt geheimzinnig en zegt: "Er is wel wat van aan. In zooverre, dat er, kort na 't vertrek van Mevrouw en de kinderen, een verpleegster heeft aangescheld. Ik zag 't toevallig. Van de plaats, waar ik gewoonlijk zit in de apotheek, heb ik net 't gezicht hier op de stoep. Ik heb haar een paar keer hooren schellen en toen werd ze open gedaan...
"Nou dan", roept Betje, zegevierend.
"Dat bewijst nog niet, dat die verpleegster je iets heeft ingegeven."
Terwijl de apotheker en de politie-agent zich met Betje bezig houden, totdat de laatste haar heeft overtuigd dat tegenstand harerzijds niet kan baten en zij het verstandigst doet met stil heen te gaan, beleeft Mevrouw Zuidhoff weer een van die ellendige oogenblikken, waarin een moreele bevinding den vorm van physieke pijn aanneemt.
Als Betje spreekt van het bezoek eener verpleegster en het door den overbuurman wordt bevestigd, verrijst het beeld van Zuster Linda onwillekeurig voor haar geest. Dat tante Francine er geweest is, weet ze, dat heeft haar man haar zelf verteld. . .. hij zou het niet gezegd hebben, als het niet waar was. Trouwens, het is gemakkelijk genoeg na te gaan Netty's vroolijke lach wekt haar uit haar gepeins:
"Moesje, vindt u dat geen mop? Tante Frans - dikke gans. . . . voor een pleegzuster aan te zien? Eerder een baker, hè?"

[194:]

"Netty, hoe dikwijls heb ik je niet verzocht met meer eerbied over je vader's tante te spreken?"
"Ik wist niet dat ik in eerbied te kort was geschoten", zegt Netty, verwonderd.
"En de benaming - Tante Frans enz. ?"
"Nu ja, dat hebben wij altijd gezegd. 't Is een verzinsel van Albert, van jaren geleden. Denkt u dat hij van daag komt?" vraagt ze, op veranderden toon.
"Ik weet het heusch niet. Bert is zoo veranderd in den laatsten tijd."
"Schande dat hij er gister avond niet was", pruilt Netty, "alle meisjes vroegen naar hem; ze hadden natuurlijk veel liever gehad dat ik een aspirant-kadet had geïntroduceerd dan een aspirant-gymnasiast, zooals Leo."
Intusschen is Betje zich gaan kleeden en komt ze afscheid nemen, heel zwierig uitgedost met haar Zondagschen hoed met witte pluimen en een lichtgroen complet, waarvan het open jakje een hoogrose blouse laat zien.
Ze steekt haar hand heel amicaal uit en zegt dan op gemeenzamen toon: "Nou, mevrouw, u hoort nog wel van me en me goed laat ik morgen halen."
Exit Betje!


inhoud | vorige pagina | volgende pagina