doorzoek de gehele Leestrommel

Leestrommel
Leestrommel
a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Beata van Helsdingen-Schoevers: Indië en Europa. Fragmenten, ed. Johan Koning

Leiden: N.V. Leidsche Uitgeversmaatschappij, 1929

Brieven uit Indië. VII.

 

Naast onze Hollandsche kinderen hier staat de Indische jeugd, de jonge Javanen... Ik dacht eraan, toen ik onlangs een „Congres" bijwoonde van „Jong Java" — dat zijn de scholieren der Javaansche Middelbaar-Onderwijsinrichtingen. Aardig en interessant, zoo'n congres van die jonge jongens — meisjes waren er helaas nog niet bij — maar dat komt wel!
Er werd, zooals op alle congressen, vreeselijk veel en druk gepraat, er werd onzin verkondigd, en ook heel aardige dingen gezegd soms; er waren natuurlijk een massa onrijpe gedachten, jeugdige doordrijverij, het spreekgestoelte diende tot schraag

 

[128:]

 

aan vele redevoeringen met aplomb voorgedragen, die heel oudbakken idees inhielden, of lang overwonnen standpunten, alsof ze gloednieuw waren, naar voren brachten — maar één ding bleef mij telkens frappeeren: „Wat spelen die jongelui aardig congresje! Wat hebben ze den toon al goed te pakken!" Ik geloof niet, dat het bij ons mogelijk zou wezen: jongens van de H.B.S. of dergelijke inrichtingen, die uit alle deelen van het land te zamen komen tot een vierdaagsch congres, waarop regeeringspolitiek, — het standpunt van het socialisme tegenover I het Icapitalisme — de instelling van dorpsraden, — de organisatie en de eorganisatie van het onderwijs, etc. etc. worden ingeleid, besproken en bedebatteerd. En dit alles „èn regie" — het: „de geachte inleider", „Mijnheer de Voorzitter, het zij mij vergund"... „Gaarne wenschte ik den geachten vorigen spreker te wijzen op een mijns inziens, onjuiste theorie..." en dergelijke parlementaire frazen meer, was niet van de lucht!
Satirieke menschen geven den Inlander wel eens dit gevleugelde woord na: „Waar er drie Javanen bijeen zijn, stichten ze een bond, en komen er acht, dan houden ze een congres..." Geen wonder, het vergaderen zit deze Oostersche menschenkinderen, geloof ik, in het bloed. Geboren redenaars zijn het j allemaal, omdat zij zulk een buitengewoon, groote zelfbeheersching bezitten. Bovendien, een eerste vereischte voor sprekers I in 't publiek, bezitten zij een zekere mate van zelfingenomenheid, zij „hooren zich zelf graag", zooals de volksmond dit uitdrukt. En daar staan dus de jongens van Bestuurs-, Rechts- en Op- I leidingsscholen te praten, te redeneeren, in een voor hun vreemde taal, — want alles gaat in het Hollandsen — met een zelfverzekerdheid, die ons nog wel eens ontbreken zou, moesten wij in het Engelsch of in het Fransch of zelfs maar in het Hollandsch I een vergadering leiden of redevoeringen houden!
De grootste indruk, die ik kreeg, was: „hulde aan onze Hollandsche onderwijzers, die de Javaantjes op dit peil brachten!" En hieraan knoopte zich onmiddellijk de gedachtengang vast, ] wek een ontzaglijke, veelomvattende invloed er uitgaat van de j onderwijzende krachten op de toekomst onzer koloniën! Zooals j de leeraar de jonge, voor indrukken vatbare gemoederen, leidt I en beïvloedt, zoo zal later de geest zijn van het gansche volk, welks leiders en voorgangers deze jongens, krachtens hun in-

 

[129:]

 

tellectueele ontwikkeling, eens zullen wezen. Daarom zouden eigenlijk enkel hoogstaande mannen en vrouwen geroepen mogen worden tot het opvoeden van dit ontwakende volk. Ook al, omdat voor hen, de leerlingen, deze onderwijzers vertegenwoordigen: „het Hollandsche ras" — naar de onderwijzers wordt onze geheele natie beoordeeld!
Voor degenen, die voelen voor onderwijzen en opvoeden, is er geen dankbaarder werkkring denkbaar dan hij het „Inlandsen Onderwijs". De Javaan is als scholier vlijtig, rustig, leergierig en gemakkelijk te leiden. Enkel moet men zich de moeite geven, een weinig van zijn innerlijkheid te leeren kennen, een Javaan is nu eenmaal een ander soort mensch dan een Hollander, zoo goed als een Amerikaan of een Franschman dat is. Men moet hem leeren kennen, dan is hij, de meer intellectueele beschaafde Javaan meen ik, de prettigste, coulantste mensch om er mede om te gaan.
Natuurlijk heeft hij zijn fouten, kardinale fouten zelfs, aan zijn ras eigen dikwijls, en deze moeten wij voor oogen blijven houden, willen wij tot zijn heil werkzaam blijven. Dit moet even zuiver en sterk belicht worden, want helaas komen er in de laatste jaren vele Hollanders, die, tot de ontdekking geraakt, dat niet alle Inlanders dom en onbeschaafd zijn, tot een ander uiterste overslaan en nu plotseling eiken Javaan een wonder ,van knapheid en deugden gaan vinden! Hierdoor werden en worden de vele oppervlakkige praatjesmakers en frazendebiteerders gekweekt, die zich zoo graag bewierookt en geadoreerd zien, dat zij spoedig zichzelf tot „volksleiders" opwerpen, en uit zucht om „van zich te doen spreken", tot allerlei excessen overgaan, telkens met de straffende hand in aanraking komen, daardoor tot Holland-haters worden, en het gezag op alle wijzen trachten afbreuk te doen. L'histoire se répète; juist zoo ging het in Britsch-lndië. Wij Hollanders deden beter ons te spiegelen aan het voorbeeld van ginds...
De Javanen van thans, hier altijd gesproken van den intellectueelen spits, die maar een, verhoudingsgewijs, héél klein aantal omvat, zijn in de periode, die men bij een jongen aanduidt met den naam „vlegeljaren". Wanneer men een jong mensch in dien vreemden onevenwichtig en overgangstijd zou gaan overtuigen van zijn eigen voortreffelijkheid, zijn deugden breed uitmetend.

 

[130:]

 

zijn gebreken verdoezelend, dan zou men hem onherroepelijk bederven voor heel zijn verder leven. Welnu, evenmin kan een volk, dat in het allereerste begin zijner ontwikkeling staat, de weelde der vleierij en het opgehemeld-wórden verdragen. Het mist nog geheel de gave der onderscheiding, het vermogen tot oordeelen. Zoo kon het gebeuren, dat wij Hollanders, die leiders en mentors moesten zijn over dit volk, menschen kweekten van onuitstaanbare arrogance en op niets 'berustend superioriteitsgevoel, die ieder oogenblik prat gaan op hun „raskenmerkende bescheidenheid", — die den mond vol hebben over de diepe psyche van den Inlander", — een fraze hun voorgekauwd door de oppervlakkige honingsmeerders, die meenen, dat geslotenheid en gebrek aan uitingsmiddelen per sé „diepte van geest" moeten beduiden.
Zij allen, dwaze en dikwijls misdadige voorgangers van het Javaansche volk, moesten bedenken, dat het de plicht van een waren vriend is, óók de feilen te toonen, en dat men een mensch, en ook een volk, niet beter verderven kan, dan door voortdurend in de hoogte steken en herhaalde vleierij. Wij hebben een plicht jegens dit kinderlijke volk te vervullen, en die ligt niet in ophemeling en glorificatie...




vorige pagina | inhoud | volgende pagina