doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Cornélie Noordwal: Intra Nos
Utrecht: A.W. Bruna & Zoon Uitgevers-Mij, zevende dr. en luxe-editie, 1925
(eerste dr. 1902)


[50:]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Jessie's avondje.

Iris ging naar boven zich kleeden in een boos humeur. Zij vroeg zich af waarom iemand op de wereld moest komen door een vader en moeder? Waarom groeide je maar niet op een veld onder roode kolen of zoo iets, of in een komkommerbak.... Stel je nu voor dat een vreeselijke familie, die

[51:]

zich al sedert een jaar bij hen had ingedrongen, voor van avond belet had laten vragen, en dat zij, Iris, naar de Wybrandtsen moest. Zij móést er heen.... O zie je, a! waren mama en papa, in gezelschap van de bewuste beminnelijke farnilie, dadelijk naar het uiterste puntje van Australie gereisd om nooit meer terug te komen.... zij móést er heen. Natuurlijk begreep mama wel dat als zij, Iris, zei dat 't móést, 't móést. Maar waarom had mama er dan zoo onbegrijpelijk en danig over gezeurd onder het eten? : ,,'t Was zoo jammer dat Iris nu juist.... Johanna en Lien waren zulke aardige meisjes, speelden zoo lief piano en mevrouw was een charmante vrouw en mijnheer..."
,,Is óók een charmante vrouw!" had zij, Iris, ongeduldig geroepen. En papa, die ,,fatsoenlijk zwijgend" door zat te eten en geheel vroege asperges en kalfscoteletten was, werd natuurlijk nu door mama opmerkzaam ge-maakt, en bromde, en vroeg: of de uithuis-vliegerij al weer begon? en wat dat nu weer te beduiden had met die Wybrandtsen? en of dat zoo'n ontzettend groote fuif was van avond, dat Iris haar eigen ouders in den steek moest laten, en 't was wat moois.... ze hadden veel aan hun dochter...."
't Was om te huilen van woede, dat je als oud mensch van een-en-twintig nog zoo als papkind behandeld werd.
,,Nee, ik wil geen nare asperges, mama!" beet Iris haar moeder toe, ,,en ik eet niet meer.... niets, ik heb al alles gehad, uw pudding ook."
Mama had toen dadelijk lief-bezorgd ontsteld gekeken, had gezegd: ,,Got, kintje." En mama had er zoo onschuldig bedroefd uitgezien, dat Iris maar capituleerde door een schijfje vleesch, wat salade en een stukje pudding te gebruiken. Zich tevens verontschuldigend tegenover de beleedigde asperges, door mama met warmte verdedigd. Mevrouw van Rhenen droeg de onwrikbare overtuiging met zich om, dat menschen als de Wybrandtsen hun gasten op zeer schrale wijze onthaalden; dus moedigde zij Iris aan zeer goed te middagmalen als Iris er 's avonds heen moest. lets dat Iris typisch-burgerlijk vond in een onuitsprekelijke ergernis, die haar deed stampvoeten. ,,Maar moeder, ga je dan ergens theedrinken, om er als een kalkoen vetgemest te worden? Ik eet nooit wat, als ik 's avonds ergens ben, en u weet dat ik uw koekjes en taartjes haat! Hoe komt iemand van familie als u, toch aan zulke zielige ideetjes?" ,,Meisje, meisje,...." bestrafte papa.
,,O, mama en papa hadden maar een dochter moeten hebben die Grietje heette," bedacht Iris, heur roodblonde haren tneendraaiend met verhit gezicht, waaruit, vergroot een paar oogen blauwden. ,,Een lief, zacht, volgzaam, gedwee Grietje of Lientje, die opzat en pootjes gaf en poezig-snoezig deed en ja en amen knikte. Niet dat zij het niet prettig vond dat zij Iris heette, ├ža sortait du commun. ,,Iris Violet," twee bloemennamen. Bah, wat zag ze

[52:]

er boersch uit met zoo'n kleur! Zij wreef over heur wangen, schitterrood. Bespottelijk, zoo'n kleur.... zij had het dikwijls, als ze zich zoo opwond. Bepaald een teringkleur, want om haar neus was 't raar plekkerig wit dan. Misschien had zij tering onder de leden, ze zou 't soms wel zeggen aan haar kuch. Nu, dan stierf zij maar jong aan tering Een interessante dood; chiquer dan aan een rofberoerte als dikke oude juffrouw, die haar liefde en al wat jeugd en frisch was, eeuwen had overleefd. En zij proestte even met de zorgeloosheid van haar een-en-twintig jaren, die heel ver af zagen den grijnzenden dood, onbestaanbaar ver af; neen,beslist onbestaanbaar voor hen. Zóó zat heur haar netjes, heelemaal over heur ooren; de tipjes er uit afleen, tipjes roos-fluweel onder satijnig blond-rood. Haar hart bonsde ongemakkelijk, hoor.... En dat alfes was voor hem, om hem, de koude, stroeve, zwijgende, hermetisch gesloten bus, het wandelend raadsel. O, zij zou trotsch doen van avond .... heelemaal koude koningin. ,,Ne touchez pas a la reine!" Bah, nee, zoo'n afgezaagd zinnetje was niet voor haar, wel voor Mientje of Dientje.. „ Bespottelijk, je op te tuigen voor iemand die er niets voor voelde en die heelemaal niets voor jepersoon voelde. En gek, o wondergek, dat je iemand altijd maar liefhad tegen beter weten in.... dat je altijd dat groote, pijnende, weemoedige verlangen omdroeg in je hart dat je het lichamelijk voelde als een groote, diepe, snijdende wond in je hart; een open wond door je borst heen, recht naar je hart toe.... Dat je je liefde lichamelijk voelde, omdat 't verlangen van je ziel zoo groot was en zoo machtig En al dat lijden.... dat die ander daar geheel vreemd aan bleef, daar niets van wist, en 't nooit weten zou, en er mee zou dollen als hij 't wist, en er brutaalverwaand om zou kijken in een: ,,God.... is 't zoo erg met haar? .... ze heeft 't erg beet" of zoo iets ellendigs-mannenachtigs... Een vrouw zou nog eens medelijden hebben, maar zoo'n man. O een schande, een schande was 't dat zij met haar gemoed van koningskind, dat zij versmaad werd door wien? Door Richard Wybrandts, een armen jongen, die werkte voor zijn familie... Daarom had ze hem juist zoo lief; dat vond ze zoo opofferend van hem, dat werken voor zijn familie. Het was zoo'n verfrissching een man te ontmoeten, die heusch werkte en niet lanterfantte, of lanterfantend van die werkvlaagjes had. Maar o, dat hij 't waagde zoo goed als te trappen op haar hart van prinses, want zij voelde zich prinses... Een moord was 't. Toen zij hem lief ging hebben, sloeg zij de hand aan zichzelf, als iemand die zich gaat wagen aan opium, en er door leeft in denkbeeldige gelukslanden. En telkens diende hij haar een dosis opium toe, haar moordend langzaam zonder het te weten. Wat bezielde hem wel, dien man he? wat recht had hij eigenlijk... En andere dingen ziend dan wat zij aanhad, en toch met een machinaal

[53:]

alledaagsch-ik ook zichzelf ziend in haar toiletspiegel, kneep zij niet langer met heete vingers de zwarte tulle van heur japonlijfje, maar dekte er mee het roepende blank van haar hals en bovenboezem, dat er donzig door scheen, wit van tuberozen door neveligen rouw, in bescheiden decollete, en zoo wegdook, overfloerste sneeuw, in de zwarte zij van haar lijfje met spangen zwart fluweel en zwarte lichtstralende snijdingen van git. En plots werd zij weer gewaar, in een klaar en duidelijk zien van zichzelf als jonge schoone in soiree-kleed, dat zij mooi was, en starrelden heur oogen op, donkerpaars. Maar waartoe diende het, als hij niet van haar hield? O te weten dat hij van haar hield, en zich dan te kleeden heel mooi, in de kleuren van zijn keus! Wat een weelde zou dat zijn! Zij greep heur handspiegel met ivoren rug, en ging staan voor de middelste spiegeldeur van haar breede garderobe. Aan weerskanten bloesemden in zilveren candelabres, spitse vlammen, goudene lelieslippen aan blanke kaarsenstengels. Eri schoppend heur sleep naar achter, bekeek zij zich van top tot teen; het hoofdje in een poezele plooi van het nekvel, wendend over de laagronde schouders. Toen, in den handspiegel, staande met den rug naar de garde-robe, ging zij aan beide zijden haar profiel na met kort spalkend neusje. Daarna den rug, rouwigwit, hartvormig afgesneden door het met gitten oversproeide lijfjeszwart. En haar nek was blank en torste heur rood-blonde wrong, door het vlamlicht overdanst met geelgoud. Zij groette droevig heur beeltenis. Zij was mooi.... he? o ja,zij was mooi niemand kon zeggen dat zij niet mooi was. .. maar hij sloeg er geen acht op. En zij had evengoed bombazijn kunnen aan hebben.
Een harde klop op de deur. Zij schrikte pijnlijk, verward roepend als iemand uit den eersten slaap: ,,He! Ja?"
.Juffrouw, 't rijtuig is voor!" riep Jaantje.
,,Ja.... dank je! dadelijk." Zij had moeite de gewone prozawoorden mee te geven aan het proza-jaantje. Ze te vinden in haar hoofd en uit te brengen met haar mond. Zij nam heur waaier op, en greep een zwart pluchen avondmanteltje, dat haar zacht hulde in zijn zwaar vallende doffe gloedplooien, terwijl de hooge kraag van mongoli-bont, een woest zwarte kroon van rafelhaar, opstond om haar blank gezichtje, dat er zich half in borg, eens zoo blank, een witte roos. Mevrouw van Rhenen kwam in de gang om haar lieveling in feestgewaad te bekijken: ,,Kintje ben je al klaar heb je nu zooveel toilet gemaakt... is dat niet te veel voor de Wybrandtsen?" Iris, geprikkeld, gaf geen antwoord. ,,Waar is papa, moeder, nog in de eetkamer? in den salon? .... o "
Zij ruischte er heen met zwenkende kleeren, waarvan uitgeurde fijnzoete heliotrope. ,,Dag vader." Zij boog zich voorover naar den kalen schedef, drukte er haar mond op. ,,Zoo pop.... laat je ons toch alleen? niet mooi

[54:]

van je, hoor; amuseer je bij je vrienden en protégé's. Mijn groeten aan de aardige meisjes daar aan Phil en Jet niet?"
„Dag mother mine! Ja ja, ik kuch niet, ik ben warm ingepakt en de raampjes van 't rijtuig zijn dicht hier, een zoentje op uw neusje u hebt een gezellig neusje dag! Jaantje, zeg aan Dirk, dat hij me om kwart voor elven komt halen.... maak even open..." Zij wipte de voordeur uit, den breeden straatweg in, die nog ros blonk van jong gestorven avondgoud, en sloot zich op tusschen de gebobbelde satijnen wandjes van heur rijtuigje; het coupeetje, waarin zij en heur moeder altijd gingen winkelen en visites doen. Zij hadden nog een landauer ook. Maar dit coupeetje had haar moeder gekregen van een broer, die te Londen woonde en zeer rijk was; het coupeetje en nog een paard, zoodat zij er nu drie hadden: een bruine en twee schimmels. En het huishouden daar in Londen passeerde de revue in Iris' hoofd.... Zij leunde achterover, en liet dit alles door heur brein gaan als iets waar zij niets mee te maken had, dat er maar onvermijdelijk even dóór moest, zooals zij op straat met haar rijtuig een oogenblik stil zou gehouden hebben voor een oponthoud op haar weg. Neergelaten de brug, voort hét rijtuig, de bestemde route. Zoo ook gingen haar gedachten weer naar de Wybrandtsen. Ja, zij had eigenlijk te veel toilet gemaakt voor de Wybrandtsen óf te véél toilet.... Wat had ze nu eigenlijk aan....? Een doodgewone japon voor een soiréetje.... Zij was zoo gewoon zich 's avonds wat te kleeden Nu ja en zij hield van Haar schoonheidsgevoel móést zich uiten in mooie lijnen en dingen; zij hield hartstochtelijk veel van kleurschïkking.... Haar hartbonsde fel, als moest het springen uit heur lichaam heen door het zijden, Ze móést zich niet zoo koortsig nerveus maken .... waaróm deed ze Haar koorts zou zich toch weer moeten koelen tegen zijn kalmte. O vrouw.. ,le plus sot animal''... Waarom kon je niet kalm zijn, dood­ kalm, doodbedaard; ijskalm en ijsbedaard als meneer Ricbard Wybrandts: de verpersoonlijkte kalmte. Stond een mensch, die niet verliefd was nu hooger dan een die 't wel was? Maar zij was niet verliefd.... zij had lief. Want zij had zich hem al honderdmaal voorgesteld: niet mooi, verminkt, met één oog, één been, met één arm.... allemaal om haar liefde te dóóden maar zij geloofde dat ze hem er alleen liever om zou hebben O ja, al zat hij opeens vol litteekens, al werd hij mottig...
Wat was liefde toch?.... Wat reed Dirk langzaam.
Het rijtuig hield stil. Dirk sprong van den bok en belde.
„Wees nu alsjeblieft tang-nijdig op hem...." sprak 't in haar.
De deur ging open, zij wipte het rijtuig uit, er in, en stond neus aan neus met Antje, die miauwde: „Dag juffra " even uitwijkend in die nauwe gans voor die ruischende

[55:]

„Dag Antje," zij knikte vriendelijk, en liet zich haar mantel afnemen.
„De juffra is maar weer praechtïg!" zei Antje vol familiare houten bewondering. En Iris lachte zacht en welluidend: „O, Antje... "
De kamerdeur vloog open: Con, Phil, Grace schoten naar voren.
,O Irisje!" gilde Grace opgewonden. „Mein geliebtes Wurm!" schreeuwde Phil. „Mag ik dat eens even doen, juffrouw van Rhenen? Ik neem Antjes taak over!" speelde Con den galant. En hij deed zich al te goed aan den heliotropegeur, wasemend uit Iris' kleeren.
„Ik draag je muziek," zei Phil. „Koningin, ga ons voor!"
„Kind, maak niet zoo'n beweging van je eenvoudig Irisje "
Eenvoudig.... dat is nu maar...." zei Con, openlijk bewonderend.
Iris lachte dat kind uit met haar zilveren lachje, en hij werd ééns zoo verliefd; hij kreeg er een kleur van.
„Dag liefste," zei Iris, haar gezicht opheffend naar Jessie, die haar op den drempel tegemoet trad, met Kern trouw achter haar.
„O Iris, je hebt ons al laten schrikken.... stout nest... " Jessie gaf haar heur kus terug.
Iris trad hen voorbij, de kamer in, waar het gaslicht reeds brandde niettegenstaande den klaren Mei-avond, omdat het gezelliger was. Haar verschijning in avondtoilet, in het salonnetje, waar Jessie de theetafel had laten aanrichten, iets dat, zondagavondachtig vreemd, de Wybrandtsen rukte uit hun gezellige huiskamersfeer, bracht een sensatie te weeg. Zij zag het: een lippen-openende schrik schokte over de gezichten van Oliviers vrouwelijke familieleden, en van een magere spinnige ontvangersweduwe, met meelbleeke blonde dochter van twintig, en van een dik buur-echtpaar — allen daar vergaderd. En al die menschen, gemeenzaam wachtend op thee met een koekje, bedenkend in een turen naar de gapende trommeltjes: of zij een banketje of een vanillewafeltje zouden nemen — al die menschen om die tafel in die kamer met vrij ouderwetsche wijnrood-fluweel-en-ebbenhout meubels — vonden ongepast, vreemd, keurden sterk af met uit de kassen dringende oogen: dit sierlijk kleine schepseltje, naar binnen gefladderd als een kolibrietje, een vlinder uit land van zon en blauw, waar zij heur haar en oogen gestolen had. Een verwaand geluks-kind, dat zij voelden als niet aan hen verwant. Zij zagen haar even staan met kijkers glanzend van bedwongen spot, een lichte trilling om de lippen. Ze stond even, en wendde zich voort, ruischend en geurend. En zij dron­ken haar in: elegant parijsch popje, op end' op mondainetjes, iets uit-dagends kinderlijks in heur oogappels, die campanula's, blauwend wijd vaneen onder wit voorhoofd-vel d; terwijl kuiltjes al maar diepten in heur wangen, heur ronde kin, fijn poezel. Elastisch, soepel, gleed zij door de nauwe gangetjes van dooréén staande stoelen, als een katje niets rakend; en zij neeg voor hen, de menschen, met lieve waardigheid het kittigronde

[56:]

kopje, welks golvend roodblonde banden omloken heur rozen-oortjes in vurigen kus van goud. En zij wist zich mooi, zij voelde zich mooi, en zij had innerlijk zoo'n pret! 't Was een kwade-bengelstreek van haar geweest zich zoo te kleeden, een schelmenstreek. En de menschen wachtend op thee met koekjes, die men nog niet genoten had, omdat zij nu pas kwam, voelden ook hoe zij verburgerlijkte alle vrouwen en alle meubels, en de geheele kamer met ouderwetsch-engelsche jachtgravures; en hoe zij daar opeens uitbloeide, kleine aristocrate van smaak en bevalligheid, klein gezelschapssieraad: een rijke losse theeroos, boven potjesfuchsïaatjes, radijsroode madeliefjes, en maagdepalmpjes. Richard, bijna gedoken in een observatiehoekje bij den schoorsteen, trok zijn onderlip in. Hij vatte de situatie volkomen, en het twinkelde in zijn oogen, toen hij het bijna verwrongen gelaat waarnam der ontvangersweduwe en het woedende harer dochter; terwijl mevrouw Bronner, die een zeer langgerekt kalkwit gezicht had, iets fluisterde tegen Lien, wier oogen boller en van donkerder groen waren dan die haars broeders. Lien spitste even de lippen en heur blikken aten Iris op. Toen sloeg Richard zijn aanstaanden zwager gade. Kern stond letterlijk ontzet over dit meisje.... god, wat een exquis wezentje! En hij was in Parijs geweest, in Nïce, in Weenen hij de echter kenner.... Maar dit meisje, dat hij tot nog toe alleen in wandel-costuum gezien had.... Alleen haar golvende gaan bezorgde je emotie, gaf je een klopje in de keel hij kon zijn oogen niet van haar afhouden: die bevallige heupen, rondend onder het glanszijzwart van haar van tulle wazigen rok Potstausend! En dat overfloerste décolleté, dat blanke dons onder dat gazige, en die armen rond rozig teederend door den rouwigen doorschijn der lange gefronste met git besparkelde mouwen heen. En die oogen, zeg, die oogen, met één opslag terugdringend de hulde starend uit de zijne, zonder vertoon hoegenaamd met prinsessen-eenvoud .... Ze scheen bent heel gewoon te vinden, en hij was in gala.. .
Hij had gedacht dat zij... Een heel klein déceptietje Enfin, hij had Jess toch, maar wat zag Jess er nu op eens huiselijk uit, met iets armoedigs bijna... .Dat meisje overstraalde haar.... ja.... als de zon de maan. Dat meisje was de eerste goed gekleede vrouw die hij in een jaar gezien had... Zij droeg de japon, niet de japon haar.
Natuurlijk was de geheele kamer Richard voor Iris; en Richard was de geheele kamer. Er bestond niets buiten hem. Zonder Richard geen kamer, geen menschen. Zou hij er uitgaan, dan nam hij de heele kamer met zich mee. Maar toch zag Iris iedereen behalve Richard; als hij een handschoenknoopje was geweest, had zij hem niet minder kunnen zien dan nu. Zij groette allervriendelijkst de ontvangersweduwe en de woedende meel-bleeke dochter. Zij groette allervriendelijkst het dikke buur-echtpaar, een ex-notaris met gade, mevrouw had een nieuwe groene japon aan, en een

[57:]

leelijke broche waarin een verbleekt portretje. Zij groette allervriendelijkst mama, Lien en Koba Bronner, die aarzelend opstonden, als in bedenking of 't soms behoorlijker zou zijn te blijven zitten. Iris had ze een paar malen al ontmoet bij de Wybrandtsen; zij vond mevrouw juist een mensch om veel van katten te houden, en zij voelde Lien, een stijve dertigjarige met grauwe tint en haren noch blond noch bruin, vijftig jaar in haar doen - als op de wereld gekomen: dertig jaar oud. Koba, het zestienjarig nichtje, dat bij tante inwoonde, en onder bijzonder toezicht van Lien stond, bewonderde met openlijke schuw-onhandige bakvischjesbewondering dat chique mensch, maar vond 't toch gek dat ze er zóó uitzag. Iris had Kern even de tippen heurer vingers gereikt, want hij beviel haar niet als man voor Jessie, en zij kende dat "holle type" zoo goed uit haar gezelschapsleven. Zij groette allervriendelijkst Olivier, 't bijna uitproestend over zijn verbluft gezicht tegenover haar wereldsche verschijning. Zij dolde met Grace, die haar familiaar pakte, en aan haar snoof: "Hè, wat ruik je lekker, wat heb je heerlijke odeur! éénig.... lief mollig Irisje.... allermólligst ventje.... Ik ben zóó blij dat je er bént! Hoe gemeen hè? Om me te plagen, had die saaie Ro gisteren gezegd dat je niet kwam, en ik huilde me natuurlijk dood, maar nu dans ik me wéér levend. O verbeeld je, dat Eulalia gisteren een rat nazat, nee maar een rat met zoo'n verstandig gezichtje bijna zoo verstandig als doggie nét zulke oogen, heusch...."
"Wie is doggie?" vroeg Iris verstrooid, met den nagel iets afknippend van heur japon, dat er niet op was; heel goed wetend wie er bedoeld werd met "doggie", en al dien tijd midden in de kamer staande, opdat "doggie" heur roodkoper haren goud zou zien gloeien onder het gaslicht.
"Zie je 'm niet, daar zit hij in den hoek, o dom Irisje!"
Richard stond op voor de tweede maal. Iris had gezien hoe hij bij haar binnenkomst ook traag was opgestaan; hij had mismoedig met de hand
onder het hoofd gezeten Een oneindig medelijden doorpijnde haar .... O haar kind, haar arme jongen.... wat had hij? Waarom zat hij daar nu
zóó? had hij dan maar liever als een koekjesmensch gezeten. Hij had verdriet en hij gaf het haar dus tiendubbel.
Hij kwam nu op haar af, met een beleefdheidsglimlachje pijnlijk doorbrekend: "Juffrouw van Rhenen!" stak hij zijn hand uit, een leelijke,
wat ruwe, spierige hand met een grooten zegelring.
En Iris, tot onuitsprekelijke, heur gezichten uitspringende ergernis der ontvangersweduwe en dochter - wuft luchtig, véérluchtig, in zoo eventjes opmerken van dame du monde, met salonstem, in stootende kleine nadrukjes: "Ah, meneer Wybrandts, waar komt u zoo ineens vandaan? ik had u heelemaal niet gezien. Ik was ook zoo.... ik had 't ook zoo druk.... Zij trok heur vingers, die lagen in de zijne, week warm satijn in

[58:]

koel stug leer, achteloos-snel terug, om hem te straffen voor zijn kijken van gisterochtend. En met Grace, bengelend aan heur arm als een te groote tasch, zette ze zich een eindje van de theetafel, op de sopha schuin tegenover hem. En iedereen van de visite vond haar excentriek, omdat zij niet aan tafel kwam, maar zich als een extra persoon aanmatigend liet bedienen op de canapé. En of dat zij dit wist, keek zij onschuldig de ontvangers weduwe aan, wier oogen van nijd gloeiden in haar gezicht, daar heur doch ter zich aanstelde, door gillachend allerlei malle te naïeve confidenties te doen aan Con, die ook lachte en een schooljongensplezier had. Dit was een gewoonte van de dochter met alle heeren, doch aan Richard, bezadigd, ernstig, zwijgend, met oordeelende oogen, dorst zij zich niet wagen, al wilde zij ook graag. Beiden, moeder en dochter, hadden dadelijk gevoeld dat met Iris' komst het succes bij de heeren voor de dochter gedaan was, en besloten dus rancuneus haar te negeeren. Ook beschouwden zij als komedie, Iris' zich zoo spoedig afwenden van beeldschoonen Richard met zijn ovaal gezicht, kastanje krulsnor en vlugge zwarte kuif; 'n man waar ieder meisje smoor van móést wezen. Als Iris tegen Richard vriendelijk gelachen had, in een lang gesprek, hadden zij dit eveneens afgekeurd, fris als wat zij dachten, en keek rond in de vleeschgezichten van al die avondjes-
menschen, hel beschenen door het gaslicht; die menschen welke zij beleedigde, omdat zij niet verkoos zich te kleeden als Truitje en Trientje,
exemplaar van een oplaag van vijfentwintig duizend. En zij hoorde Grace aan, die haar aanhaalde, en heur japon betastte, er tipjes van nemend tusschen duim en wijsvinger: "Hè, Iris, wat zie je er toch altijd éénig uit.... net iemand van 't hof... "
"Ja Grace? .... malle poes ...." zij streelde de ivoorbleeke wang van het kind. "Ja kind, est ist wahr, du bist bildscbön angekleidet!" riep Phil ongegeneerd-weg. Iris lachte....
Hè zonde, al die koekjesmenschen bier, zij kon ze wel zoo wegtrappen... Haar Wybrandtsen voor haar alleen. Wat dacht hij nu wel van haar, die Richard met oogen als onpeilbare zwarte meren? Had hij nu niet ééne gedachte voor haar? En zij zij voelde haar liefde groot grootmachtig als de bruisende zee; een wilde hartevloed, die in één reuzengolf hem zou kunnen opnemen en zetten naast haar op een onbewoond eiland
met veel hoog groen van palmen en tropische gewassen, en waar zij zouden zijn het eerste en eenige menschenpaar. En daar hem te hebben geheel voor haar in de sprekende stilte der natuur, die deelneemt, die altijd deel neemt... Bij vogels en bloemen en bladersuizen en het ruischen van 't reine water. En in zijn oogen niet ééns diep te turen als geluk te groot... Alleen maar naast hem te ziten, zijn hand in de hare, o God niets meer, niets méér En tot hem op te praten lief, zacht, kleine streelfee, geboren uit rozenbloem, de eenige stem voor hém! En uit te vorschen al zijn ge-

[59:]

dachten. En dan toch ook haar oor te leggen aan zijn hart, het kloppen te hooren, de slagen te tellen van het leven dat hij ademde, dat zij ook ademde, maar ver van hem als een vreemde, terwijl hij en zij het toch moesten ademenhart aan hart ... Het was zoo eenvoudig, zoo ziels-
eenvoudig, zoo blankeenvoudig. Het hoorde zoo, het was altijd zoo geweest van dat de wereld, een kindje, begon op te leven uit het niet het
zou eindigen met de wereld Het was de groote waarheid het echte in als het valsche.... maar voor haar.... nooit o neen nooit... O, groote ellendige droefheid, o zwarte vloed van droefheid, zwarte oceaan van droefheid, somber, somber als zijn oogen, die het gelukseiland verslonden, in wier hoon het onderging. O de wereld was geen kindje meer, een satanisch monster, dat de zielen deed krimpen in hevig lijden en geen waarheid op die wereld o liefde... o leed o leed! Daar zat hij, hè, vlak bij en onbereikbaar onverschillig voor iedereen... En voor haar
"Iris! Iris!" schreeuwde Phil lachend in heur oor, met kleine schokjes, waar Iris' gehoorvlies door gekitteld werd "Juffrouw Meulemans zal
iets zingen en krijgen we jou dan in iets van Grieg? Iets van Grieg toe, zeg nou, Iris... "
En Iris keek op, Phil verbaasd aan. Juffrouw Meulemans? O ja, de dochter. Iris' oogen kwamen terug, hun blauw kwam tot besef. "Ik iets van Grieg?" Met schei-mondain geluidje, in een extra-behaagziek wenden van heur rosse hoofd, omdat het de koekjesmenschen choqueerde.
"Ja, goed, Phil Grieg zal 't zijn." En zij waaide, om mevrouw Meulemans een halve apoplexie te bezorgen, zich bevallig toe met zwart veeren
waaier, en moest toen Grace waaien, die de oogen knipte in zaligheid.
"Tenminste als jullie 't allemaal wilt, hè?" vroeg Iris opzettelijk nog eens. En zij las duidelijk op het gezicht der ontvangersweduwe, juist iemand om Meulemans te heeten, hoe mevrouw wel 't liefst wilde dat "dat aanmatigende nest" maar geen noot zong, geen noot Grieg en geen noot iets anders. En juist daarom, wendde zij, Iris, zich allerliefst- belangstellend tot de dochter: "En wat zult u zingen, juffrouw Meulemans? Hebt u een groot répertoire? Schumann zeker?"
Juffrouw Meulemans werd op eens stroef-schuw, en kondigde aan binnensmonds de ,Berceuse van Jocelyn' met een zenuwachtig snel heen
en weer gaan van het hoofd, "een beetje een duif die op een dakgoot wandelt," vond Iris. "Jocelyn? O beeldig, dat heb ik in lang niet gehoord.
Wat hebt u... mezzo? of sopraan?... sopraan zou ik zeggen...
"Betsy heeft een hooge sopraan en veel coloratuur. Sterk is haar stem niet, maar ze heeft eenlieve, sympathieke stem." Mevrouw Meulemans tartte Iris er ook zoo een te hebben, terwijl zij, uit een ouderwetsch brillenhuisje, heur bril kreeg en die zette op den wat hondachtigen neus, in

[60:]

het wat hondachtige gelaat, hoog overgrauwd door een wolkbankje ingebrande peper en zout krulletjes. Zij keek Iris aan door de omzilverde glazen, doorborend als een school juffrouw die dreigt: "Als je toch durft." En natuurlijk neeg Iris het hoofd, en glimlachte zoo aanminnig, dat Con en Kern even verliefd werden op haar kuiltjes, Grace haar pakte, en mevrouw Bronner, verteederd, tot de notarisvrouw fluisterde dat 't jammer was van die japon en dat zotte zoo.... "toch wel 'n lief snoetje." De notarisvrouw kon echter niet heen over den waaier op een avondje als dit. Zij boog zich naar Richard, in bedaard gesprek met haar man: "Vind u nu ook niet, meneer Wybrandts, dat 't zot is om een waaier hier mee te brengen?" Richard glimlachte zijn spot uit, en mevrouw Mater wist niet of hij spotte met haar of Iris. Richard keek snel op, om Iris te hooren zeggen: dat zij zich heel veel voorstelde van den zang van juffrouw Meulemans.
Er dansten gitten in Rïchards oogen.
Mevrouw Meulemans met haar lang lijf en korte beenen, dribbelde door de opengeslagen deuren naar de huiskamer en de piano, zette zich met wijsheid er voor, en begon met wijsheid te begeleiden haar dochter Betsy Meulemans; telkens misslaande, en dissonanten ten beste gevend, in zenuwachtige pogingen om het zéér goed te doen. Mevrouws bovenlijf zwenkte mee naar hooge of lage registers; "zij was er geheel bij," zooals Phil in Iris' oor fluisterde. Betsy Meulemans ving aan te zingen, met een zwak, knirpend fonograafstemmetje, het lied dat boven haar krachten ging. De angst zat haar in de keel, zij zong uit haar onderkin, die krampachtig bolde op hoogen japonboord. Mevrouw Meulemans baadde in zweet, haar voorhoofd glom zeepachtig. Mejuffrouw Meulemans baadde in zweet, haar voorhoofd glom ook zeepachtig. Iedereen werd even zenuwachtig, en staarde op naar den muur, of naar het tafelkleed. De dikke notaris fluisterde Richard in: dat 't géén Patti was. Richard verveelde zich gruwelijk, trachtte aan zijn kantoor te denken, maar vroeg zich af hoe menschen zoo onverstandig konden zijn zich zonder stem te laten hooren.
Alle meisjes hadden medelijden, zelfs de strenge Lien Bronner, en Grace, die niet giegelde. Iris had de tonen wel zoo uit Betsy's keel willen halen .... Er zat daar wel iets, maar 't was allemaal bangig gesmoord, verstikt "te zingen met een toegeknepen keel, in plaats van de tonen er uit te laten rollen in vrije jubeling arm schaap 't was zielig... "
Olivier keek glad, steenig, neutraal; tot innig vermaak van Con en Phil, volgens wie hij bezig was het woord onmacht in een woordenboek te zetten, om het wat later te doen volgen door onzin. Het was er uit. De twee gefolterden kwamen naar de theetafel terug. De notaris, Con, Kern en Grace klapten zóó, dat Jessie hun een angstigen smeekblik toezond,

[61:]

want zij was bang dat mevrouw Meulemans, die zeer gauw kwaad dacht, zou denken dat men den spot met haar dreef.
"'t Was afschuwelijk! bekende Betsy Meulemans openhartig, "maar ik was ook zoo doodsbang." En voor het eerst keek zij naar Iris, (die in elk geval een lotgenoot van haar moest worden, misschien bracht zij 't er nog slechter af) met oogen waaruit geen afgunst schril blikkerde. Iris troostte: "U hebt een massa lieve tonen in uw stem, maar is dit lied niet wat te moeielijk voor u?"
Moeder en dochter keken woest uit de respectieve bruine en fletsgrijze oogen. "O," zei de dochter koud-schuw, "ik studeer als oefening de Philine-aria uit de .Mignon' en 't gaat heel goed; e"lken dag een loopje of twee." Het aschblonde hoofd bewoog weder in duivendraai.
"Zoo?" vroeg Richard, even de wenkbrauwen optrekkend. Iris zat versteld. Het hoorde aan als vertelde een kind, na drie maanden klavierstudie, dat het een Rhapsodie van Liszt opkreeg voor de loopjes, als vingeroefeningen. "Wie is uw... e... onderwijzer?" vroeg zij. Betsy, in een klettering van hard uitgesproken woorden, als woedende regendruppels tegen zinken dak, noemde met veel omhaal een onbekende grootheid, die vroeger een ander vak had gekozen, en nu misschien den boel er aan zou geven om in Indië zijn fortuin te zoeken. "En natuurlijk is dat heel naar voor mij" snerpte Betsy, "want dan moet ik weer een heel andere methode volgen. Ma accompagneerde natuurlijk weer drakerig... en ma wéét wel dat ma 't altijd doet. Als er in andere stukken van die gauwe dingetjes voorkomen, weet ma met ma's vingers geen weg meer." Mevrouw Meulemans, wie Jessie een blik vol medelijden toezond uit heur zachte oogen, werd rood, dof rood, zweeg even, en maakte toen nogmaals bekend: "dat Betsy een lieve, sympathieke stem had."
Olivier vroeg zich af waar die stem wel mocht zitten. Als Betsy maar sprak, vond hij haar geluid al even scherp en snerpend als van een schaar die geslepen wordt, en haar zang, nóu.... Enfin, misschien bewaarde ze die andere stem zoo diep, dat ze er zelf niet meer bij kon. En hij luisterde bedaard naar mevrouw Meulemans, die hem vertelde dat Betsy naar het buitenland zou gaan om verder te studeeren. "Ja mevrouw, daar doet u wel aan." "Doet u dat, mevrouw," interesseerde zich de notaris levendig.
Olivier haatte avondjes met zingende meisjes en pianoknoeiende meisjes. Hij was wel gek dat hij zich had laten overhalen hier te komen, en er een belangwekkende studie over noorsche sagen voor had aangegeven. Dat komt van die moeder en Lien.... je móét nooit naar vrouwen luisteren
En nou nóg al een zingend mensch! Het verwonderde hem juist dat zijn moeder nog niet naar de kat gevraagd had, toen uit mevrouw Bronners lang, zeer wit gezicht, met horizontaal getrek en gerek van de

[62:]

te dunne lippen, plechtig kwam, als kauwde ze de woorden af: "En waar blijft onze Eulalia zoo?' '
"Hè ja!' zei Lien, ontwakend tot iets dat naar leven geleek.
"Poes, poes, poes, poes!" riep Grace, Eulalia, die als een witros rolletje ineengedoken zat, bij mevrouw Bronner brengend, "'t Is een schat, hè? Een heerlijk beest!" Zij kuste de poes. "Zij is onze poes en voor hond hebben we doggie, ja snóés?" Zij kneep heur roodbruine oogen dicht naar Richard, die een zijner halve glimlachjes had: "Kom, kom, mal nest."
Mevrouw Bronner en Lien zagen niets meer dan Eulalia. Het was haar al een harde ontbering geweest dat zij den gansenen avond geen kat op den schoot hadden kunnen nemen, en als uitgehongerd, streelden en roemden zij nu Eulalia; deden zij zich aan heur bont te goed als reizigers aan biefstuk. Iris zat ze met aandacht waar te nemen; Jessie presenteerde wijn met taartjes. Alle avondjesmenschen klaarden op in een glans van voldoening, want het wijn-met-taartjes oogenblik is toch altijd een zéér gewichtig oogenblik, de climax der avondjes-genoegens; volgens Olivier: een ziektecrisis. Jessie liet de opgehoopte soezenmand ronddraaien als een langzaam carousselletje voor de overstelpte blikken. Er werd met zorg en studie gekozen; de verdiensten van geslagen room, confituren, geglaceerde suiker, gebrand eierschuim en gesuikerde amandelen werden naar behooren geschat, gewikt en gewogen. "Ja, wat zal ik nou nemen? Zóó eentje dan maar." Koba, het bakvischje, had zitten azen op een délïcieuse, die de dikke notaris haar voor den neus wegkaapte. "Spook van een man!" "Hè, gelukkige menschen!" benijdde Iris, toen zij hun tanden gretig zag zakken in de zachte zoetigheden. Richard weigerde, en het deed haar genoegen, hij mocht ook niet zijn als die anderen. Zij zelf legde een soesje op haar schoteltje om die goede, beste, gastvrije Jess niet ongelukkig te maken. "En zullen we ü nu niet eens hooren?" vroeg de notarisvrouw, die toch maar over den waaier zou heenstappen.
"O, 't heeft al den tijd, mevrouw."
"Kom Iris, jij moet onder 't mes!" riep Phil. "Voelt u zich niet zenuwachtig?" vroeg Betsy. Iris lachte.
"'t Is toch altijd een heel iets!" meende mevrouw Meulemans, met het gezicht van iemand, die het weet.
"O, ik ben er aan gewend. Wij zien zooveel menschen, en ik moet altijd zingen; wel vervelend.... soms."
Mevrouw Meulemans keek naalden. "Akelig spook!" schold Grace haar innerlijk.
Met kinder-aandrift voelde zij het vijandige dat woelde in mevrouw Meulemans' borst tegen "haar Irisje."
"Mensch, wij zijn één en al spanning, een en al afwachting, du mein

[63:]

geliebtes!" kirde Ro, naar Iris toeloopend en haar pakkend. "O, zing dat heerlijke: Ich liébe dich, hè? Daar beef ik altijd van."
"Och neen," profaneerde Iris haar innigste denken.... "zoo sentimenteel .... niet?"
"Hè! zoo'n goddelijk gepassionneerd lied! zelfs Rieg, die zóó somber en zwart van gemoed is, knapt er van op." Phil knipoogde: "Ja, Rieg? Vent?"
"Ik hoor héél graag zingen!" zei Richard, die nooit rechtstreeks antwoord gaf op de plagerijen zijner zusters. Hij hield altijd zijn waardigheid.
"Juffrouw van Rhenen, zingt u 't hem maar voor, dan zingt hij 't u wel na!" zei Kern, die volgens Phil den heelen avond nog niet geestig geweest was, en nu uitzwermde als een voetzoeker.
"Je accompagneert je zelf wel, hè Iris? Je weet, we zijn zulke krukken waar 't muziek betreft."
"O Irisje!" gilde Grace, "ik ga heel in een hoekje zitten, in de schaduw, en ik doe de gordijnen over m'n oogen, ik wil niets zien, alleen maar hóóren .... verrukkelijke schat!"
"Niet zoo opgewonden jij, hoor," gebood Richard, zijn leeg wijnglas op tafel neerzettend, gebogen reikend van uit zijn hoek: "anders ga je naar bed."
"Daar moest ze al twee uur zijn." Olivier keek op zijn horloge. Zijn moeder en Lien knikten. "Och," zei Koba, en werd dadelijk daarom door Lien bestraft.
"Iris, wil je soms een glaasje wijn eerst?" Jessie kwam bezorgd op haar toe, met een blaadje waarop lang-gesteelde glaasjes bordeaux.
"Waarom? om courage te krijgen en emotie tegen te gaan?" Iris lachte guitig: "Neen Jess, dank je, heusch niet."
Mevrouw Meulemans ergerde zich bleek over de drukte die er van dat meisje gemaakt werd, en Betsy zat met een gezicht, alsof zij de geheele wereld eeuwigdurende vijandschap had gezworen! vond Ro, die er glunder om zat te glimlachen.
Ro had maar steeds schik in haar leven, zij kon zich van menschen als de Meulemansen niet 't flauwste begrip vormen. Haar bestaan was één tevreden vergenoegde glimlach.
En zij zagen Iris zich zwaluw-licht neerlaten op de rood fluweelen kruk, met de zwarte tulle rouw-wolkend om haar heen, oversprankt van gitten als zoovele glinstertranen. En uit den rouw van Iris' armen traden heur handjes cameliablank, en bogen in gespeel heur vingers op de toetsen die begonnen te zingen het vreemd-warrig voorspel, chaos van tonen, waaruit plots opbloeide, wilde, purperen passiebloem: dat lied van beminnen. Van zilverzalig aanbidden, van teederblauw van trouw en innig voelen. Het lied van vrome berusting, onder snikken en brandende-begeerte-tranen;

[64:]

het lied, waarin Iris voelde gloeien heel het scharlaken heurer liefde die zij niet- kon klagen:

Du mein Gedanken, du mein Sein und Werden.
Du meines Herzens erste Seligkeit!
Ich liebe dich wie nichts auf dieser Erden,
Ich liebe dich, ich liebe dich, ich liebe dich in Zeït und Ewigkeit!
Ich liebe dich in Zeit und Ewigkeit!
Ich denke dein, kann stets nur deiner denken.
Nur deinem GlÜck ist dieses Herz geweiht;
Wie Gott auch mag des Lebens Schicksal lenken.
Ich liebe dich, ich liebe dich, ich liebe dich in Zeit und Ewigkeit,
Ich liebe dich in Zeit und Ewigkeit!

Jessie's oogen vulden zich met tranen, en zij zochten die van Kern, Maar Kern tuurde met schuinen neerblik naar zijn ring, en toch tegelijkertijd naar Iris' roodgouden tressen, gedraaid boven haar blanken nek. En Jessie's kijkers wendden zich neerslachtig af, en juist ving Richard, ver-teederd door de muziek, haar blik op. Hij zag Kern, en begreep. Hij had al dien tijd opgekeken naar den wand, naar het portret van zijn gestorven moeder, wier lieveling hij geweest was, en over zijn appels was de blauwe zielegloed neergewaasd, die ze maakte tot de donkerste violen, taederder dan welke vrouwenoogen ook. Hij was dit wereldsch meisje dankbaar, dat ze hem die zuivere genieting gaf op dit leuter-avondje.. .. Maar toen hij Kern bestudeerde, keerden zijn oogen terug tot hun normaal-oordeelend stug kijken. Dit even smeeken om liefde van schuchtere Jess, zijn liefste zuster, naar dien vent, dien flirt, die haar niet verdiende, wien zij ongelukkiger wijze tot zijn, Richards verdriet, heur goede trouwe hart, heur hart van zorgend moedertje had geofferd, trof hem als een beleediging, Jess en hém aangedaan. Natuurlijk, zijn aanstaande vrouw achte Kern niet, maar dat nest daar aan de piano met haar coquetterie van te doen en zich te kleeden, ,Ich liebe dich ich liebe dich' ja zeker... Waarom kwam ze hier in zoo'n toilet? Sirene op end' op mondaine... Ze poseerde.... Ze had al den heelen avond geposeerd. En zijn zusters, die dol met haar waren, in een gedweep dat hem wéé maakte.,.. Dat rossige haar..,. O zeker hij was man, hij had zijn oogen niet in zijn zak ze was een lief mensen om te zien, een pop, een mooi ding, gracieus, maar ze hoefde niet hier te komen, vooral niet
in zoo'n toilet.... ze was een anomalie hier... ze maakte hem altijd bitter. Ze herinnerde hem aan den tijd van weelde en fortuin, toen hij,

[65:]

Richard Wybrandts, geen andermans slaaf hoefde te zijn op een kantoor .... en niet hoefde te berekenen met zijn hoofd in zijn hand.
Ze klapten hem doof natuurlijk... Nu, 't klonk ook mooi, heel mooi.... treffend mooi....
Het was Iris onmogelijk geweest niets van haar persoonlijk voelen in heur sopraan te leggen; toch dorst zij zich niet geheel geven, in woeste
schaamte dat bij O, 't bleek zoo anders te denken of te zeggen, al was 't maar in een lied dat iedereen kon zingen. Het handgeklap ratelde, en iedereen prees ditmaal oprecht.... Jessie, Phil, Ro kwamen op haar toe, Grace danste als een dolle derwisch door de kamer, tot ergernis van Olivier. Koba, het bakvischje, schoof onder toezicht van Lien vandaan:
"O juffrouw, zingt u nóg wat.... tóe "Hè ja!" riep mevrouw Bronner, opkijkend van Eulalia, die spon. De notaris, uit wiens borst nu voor goed was geweken alle vijandelijkheid, welke hij er trouwens maar op na had gehouden om zijn vrouw te plezieren, want hij zág wel graag mooie meisjes met mondjes als rozeknoppen -o de dikke notaris, riep met geestdrift: "U zingt magnifiek daar had ik me niet op voorbereid, hoor!" En hij praatte iets van het op Diligentia niet beter te hooren.
"O, ó, u maakt me verlegen!" Iris hield beide handen tegen de oortjes, haar voorhoofd komisch fronsend. En de oude heer beschouwde haar, verrukt. Maar toch lachte Iris kinderlijk vergenoegd om al de hulde; heur oogen dichtknijpend als een poesje. Mevrouw Meulemans en Betsy deelden niet in het applaus, maar fluisterden: "Vreeselijk schel en neuzig, hè?" Dit was absoluut onwaar, vond Richard, die opkwam tegen alfe direct onrecht. Hij verhief zich dus bedaard van zijn stoel, naderde Iris, en zei met iets achteloos prijzends-beschermends: "U hebt heel mooi gesongen, hoor," als sprak hij tot een meisje van twaalf, dat een muziekstukje had voorgedragen.

"O, ik dacht dat u niets gehoord had!" zei Iris droogjes in een even opkijken tot hem.
"Hoe zóó?" vroeg hij eenigszins verbluft.
"Ik dacht dat u al dien tijd... e... ja... verdiept had gezeten in cijfers ik dacht dat zulke dingen als zang veel te gering voor u waren. Niet dat 't mij als u zoo graag denkt aan cijfers... " Zij ging glimlachend langs hem heen, liet hem staan. Hij keek haar in een schielijke verraste wending van het hoofd, doordringend aan, haar niet begrijpend, haar onbegrijpelijk en brutaal vindend. Enfin, hij had van zijn leven al zooveel typen onder handen gekregen .... Och... ze wou coquet doen met hém.... 't liet hem zoo koud als ijs hij had wel wat anders aan zijn hoofd. Hij kon niet wijs worden uit dat meisje. Gisteren, dat laakbare hem op straat aanspreken, dat dwingen om zijn aandacht, en

[66:]

van avond dit weer malle kinderen, die meisjes toch En hij was zoo kalm, zoo kalm waar 't vrouwen betrof....

Iris' rijtuig was voor.
Dit maakte weer een sensatie. Lief bevallig, opzettelijk-lief en bevallig, ruischend, geurend, afscheid nemen van iedereen. Richard bijna vergeten, toen terugkomen in een achteloos lachend: "O, ik vergat meneer Wybrandts"; en natuurlijk niemand wetende en ziende dan Richard, wiens gezicht overal was. Vóór den dikken notaris en zijn vrouw en naast hen, en naast Betsy Meulemans.... "Dag juffrouw Meulemans, ik heb met veel genoegen uw kennis gemaakt, u moet maar flink studeeren."
Mevrouw Meulemans sprong bijna uiteen bij deze dynamietwoorden, en Iris lachte met Phil, die haar met een heelen stoet naar heur rijtuig
bracht, daar nog even om in de gang. "Dank je Jess, voor je gezellig avondje!" zeide zij in een kus, terwijl zij zich even aan Jess vastklemde.
Zij had geen zusters en zij voelde de meisjes Wybrandts als zusters.
"Dag Iris, lieveling!" zei Jess, die gewoon was Iris te verwennen en haar altijd een beetje klein hield. "Ja, wij komen eens gauw. Ben je nu wel
goed ingepakt?.... zijn de raampjes neer in je coupé? Houd je nu niet zoo vreemd, dat we je moeten vragen! Kom heel gauw weerom, ja?
Dag!... .Compliment aan papa en mama "
Con sloot het portier; Iris liet even 't raampje neer. "Jess, ga naar binnen, en jullie allemaal, jullie zult kou vatten! Phil.... met jullie
bloote hoofd in de avondlucht! en jij met je korte haar ik voorzie weer een onnoemelijk aantal verkoudheden.... dag Grace, snoes, ga naar
bed!.... adieu allemaal dag, meneer Constant!...."
Con was opgetogen over dit aparte groetje nog aan hem. "Een ideaal meisje."
Dirk reed voort, en Iris zette zich in een hoekje en sloot vermoeid de oogen. Zij was meer vermoeid na dit avondje dan na een ganschen nacht dansens .. .. dan ha een bal.. .. Niets kon haar schelen, zij wist hoe zij geoordeeld zou worden door al de avondjesmenschen, zij was er aan gewoon bepraat te worden. Maar dat zij zoo weinig met hém was opgeschoten .... Zij had zich niet fier genoeg gehouden. Zij had hem niet
plagend moeten antwoorden, maar gewoon maar als je gewoon koud was Of zij had geen antwoord moeten geven, toen hij zei: "U hebt mooi gesongen... ." Wat verzon hij toch, wat viel hem eigenlijk in? Zij had wroeging van 't geen zij gezegd had, een wroeging kwelde haar. Zij een mensch die haar leven lang wroeging had over dingen waar een ander overheen gleed.... Maar als hij nu zag of wist dat ze van hem hield... 't was toch menschelijk 't was toch geen misdaad ze

[67:]

kon er toch niets aan doen. Als hij er mee spotte, bewees het dat hij laag stond, heel laag. O, had hij maar iets vreeselijks gedaan, iets afschuwelijks, zoodat de heele wereld hem haatte en verachtte, en dan zou zij hem tot zich nemen en zeggen dat ze hem liefhad, dat zij de eenige op aarde was die van hem hield. En dan moest 't hem toch goed doen dat er iemand zoo van hem hield, dan zou hij toch wel éénig begrip krijgen van haar wijdende liefde....
In een beschaming zette zij zich plots in den hoek schuin over, afschuddend heur gedachten; onstuimig innerlijk protesteerend: "Iris van Rhe-nen, 't zal me niets verwonderen, als jij morgen naar een zenuwgesticht in de Boschjes gaat, om met douches tot je zelf te worden gebracht. Stel je voor dat de meeste meisjes, van die echte, brave, heilige, edele zielen, overvloeiend van correctheid en geestesadel en zielenadel en hoofdadel en hartadel en nóg wat adel, me, als ze me hoorden, op den hoogsten graad zouden verfoeien als een soort van onrein schepsel. En hij is niet op jou verliefd en jij wél op hem!!?? Neen, dat zou mij nou onmogelijk zijn.... Die mogen ook alleen maar liefhebben op commando: Peloton, vuur!! Heeft hij haar lief, dan heeft zij hém lief, Net marionetten in een Janklaasenkast. Eerst had zij hem niet lief, maar die liefde komt wel, als er een huwelijk in 't vooruitzicht is: een burgemeester of een wethouder, die iets afdreunt en al de paren achter elkaar aftrouwt, in een hoepel-óp-jullie, en een bruidsjapon met sluier, en cadeaux van lieve bekenden en een déjeuner-dinatoire en bruidspartijen.... en een huwelijksreis naar Italië of naar Noorwegen.... O, dan houdt ze dol van hem. Dan zou ze nooit haar ouderlijk huis verlaten dan om hém, 't wezen dat haar meestal met bijbedoelingen trouwt... . En dan is hij haar Eduard of Johan of haar George voor eeuwig. En nu zal ze altijd zorgen dat 't eten op tijd klaar is, en voor schoone zakdoeken als hij erg verkouden is, en maakt ze ontzettend veel van zijn verjaardag en zijn St. Nicolaas, en kookt kreeft en kerriesoep, en maakt een pudding met haar eigen vleescheiijke handen, en zal ze zélf zijn hoogen hoed opstrijken en zijn dasspeld poetsen, enfin, onbegrijpelijk aux petits soins zijn. En om van-óm-te-vallen-lief tegen zijn familie zal ze-wezen, vooral poezig-snoezig tegen zijn ouden oom met jichtvoeten, dien ze niet uit kan staan, maar waar hij misschien van erven kan. Net zooals Mélanie Lanneau of Jeanne de Neste.... zulk in-lieve, correcte meisjes, die je neiging bezorgen in ze te knijpen, om te hooren of ze ook piepen....
"En ik!" Richard Wybrandts zal me nooit vragen hij dénkt er niet aan hij denkt nooit aan me.... ik ben zooveel als zijn paraplu voor hem. Als hij aan me denkt, is 't: bestraffend mijn honderd en een fouten, zonder zijn eigen twaalf honderd in 't oog te houden.... Hij ziet natuurlijk al mijn hoedanigheden, ik keek zus en deed zoo, zonder zich zijn

[68:]

mannen-tacteloosheden, zijn kwetsen van mijn ragfijne gevoel, en zijn koude uitvallen, die alles in mijn hart verstijven, bewust te zijn .... En ik zou voor Richard Wybrandts willen sterven, zie je, gewoonweg sterven.... weggaan uit het leven, en scheiden van alles wat me aan de wereld bindt en wat ik op mijn manier liefheb, en waar ik genoegen in heb... En wat zou hij voor mij doen? Niet eens door den regen loopen! Niet eens iets halen in een winkel, niet eens.... Maar ik ben ook gekke Iris, zie je.... gekke malle Iris.... Je sors du commun, moi, comme Ie fait mon nom d'Iris, nom adorable de fleur! zooals die fat van Kern zei, uit zijn toegeknepen mondje. Ik wil nooit trouwen.... Ik vind 't heerlijk de mannen blauwtjes te laten loopen... . Ze zijn niet waard dat je medelijden met ze hebt. Hij zal deze japon wel aanstellerig hebben gevonden, hè ?
Ik moet er toch eens een avondje heen, heel eenvoudig.... maar chique .... Enfin Jessie en de anderen keerden in de huiskamer terug, en vonden er een leegte. Op eens dribbelde mevrouw Meulemans, die den heelen avond al verdacht had zitten snuiven en blazen, naar de deur, zette die met veel vertoon wagenwijd ópen, en zei met een gezicht waar de boosheid uitsprong: "Jullie moet me niet kwalijk nemen, maar ik heb hoofdpijn van de vreeselijke parfum van dat ménsch! Parfumeert ze zich altijd zoo?
Hè... foei! 't Heeft me den heelen avond al gehinderd en Betsy ook, Betsy kan ook heelemaal niet tegen zoo iemand!" zij keek Olivier aan.
"Ja, dat geloof ik graag!" zei Olivier op een toon voor verschillende uitleggingen vatbaar.
"Een charmant lief meisje!" betuigde de notaris, mevrouw Meulemans
een flesch verzuurden bessenwijn vindend. "Ik wou dat wij zoo'n dochtertje hadden, hè vrouw?.... chique, coquet.... daar leg je nog eens eer mee in, en die verrukkelijke stem... "
"Ja, ik vind 't ook wel!" beaamde de gade, die mevrouw Meulemans al te bar vond. En mevrouw Bronner en Lien knikten, terwijl zij zich hulden in mantels en sjaals, geholpen door Ro en Phil, "Ze is een schat!" riep Grace, die grooten lust had mevrouw Meulemans en Betsy over te slaan, terwijl zij de ronde deed van goedennacht zeggen, en eindelijk op Richards knie plaats nam, om hem het slachtoffer te maken van een finale omhelzing. "Hè, zoo'n lief meisje'. ik ben zoo blij dat we conversatie met haar houden na doggie hou ik 't meest van haar, nietwaar? Geef maar 'n poentje aan je moeder, zóó. Ik ben doggie's moeder en hij is mijn zoontje Nou, nacht menschen, allemaal! Spreek alsjeblieft een heeleboel kwaad van mïj .... la, la, la, la!" Weg danste Grace, de deur hard toeslaand: "De parfum is nu al wegl" riep ze in de gang; zeker tot mevrouw Meulemans.

[69:]

De notaris bulderde het uit. Hij wou Grace ook voor dochtertje... "leuk aapje."
"O néémt u haar alsjeblieft " zei Richard, de wenkbrauwen bijeentrekkend.
"Dat meen je niet, meneer Wybrandts, daar meen je niets van je jongste zusje."
"Misschien niet," zei Richard, een half verlegen glimlachje kuilend in het geel van zijn wangen. "Ze is een kleine aap ze is ontembaar Als u haar hoort, zoud u denken dat ze geen opvoeding kreeg, terwijl we...."
"Iris kan niet gewaardeerd worden door menschen die haar niet kennen, wat is dat nu: één avondje!" schalde de strijdlustige Phil tot mevrouw Meulemans, die zij geheel wilde verslaan. "Wij kennen haar, wij houden innig van haar, ze was een van ons, vanaf het oogenbük dat Ro en ik op de zangvereeniging met haar kennis maakten...."
"Natuurlijk!" zei Jessie. "Natuurlijk!" echode Ro. "Natuurlijk!" bromde Con, verontwaardigd, dat iemand dit in twijfel durfde trekken: "Een ideaal meisje." Olivier, die Iris wel mocht, knikte.
Olivier en familie staken de handen uit ten afscheid. "Kom nu toch mijn poesjes eens zien!" smeekte mevrouw Bronner, Jessie. "Ze zien er wel
zoo heerlijk niet uit als Eulalia, maar toch... "
"Meneer Wybrandts, ik durf u niet te vragen."
"Ik maak immers nooit visites, mevrouw.... en damesvisites...."
Hij hield op, want Betsy ratelde terug tegen Phil over Iris, zoodat mevrouw Meulemans zelf er mee verlegen werd. "Betsy, wat kan jou dat mensen schelen? Ze raakt je niet. Er hindert mij niets aan 't mensch dan haar parfum." Richards oogballen glommen, in de wijd gesperde leden, haar mephistozwart toe.
"Kom Betsy, wij stappen eens op." Con haalde de mantels uit de gang, en hij deed het graag. Betsy had nog zoo geen haast, en wendde zich tot Richard: "Vind u Iris niet een aanstellerigen naam.... zoo iets boek-achtigs?"
"Aanstellerig? Nee " zei Richard, zijn neus krinkelend in wrevel van verveeldheid over het gezeur van die malle vrouwen. Het was zijn
gewoonte te verdedigen als er kwaad werd gesproken, dikwijls uit aan geboren loyaliteit, dikwijls uit gemelijkheid tegenover de persoon die sprak.
,.Ze heet naar haar moeder, niet Agnes ? je vriendin... e... "
"Nee, mevrouw heet Mary. Op het buiten van mevrouws vader bij Dublin waren twee vijvers in dikke kransen van witte en paarse irissen. En omdat mevrouw daar erg door bekoord was, noemde ze haar baby Iris, als souvenir aan de plek waar ze geboren werd en jong meisje was. Ik vind 't een lief idee, zoo echt poëtisch." Kern vond het ook, staande in

[70:]

zijn beste uniform, groot en forsch naast Jessie, en Betsy Meulemans de oogen verblindend: ("die Jess had maar aardig een knappen officier in haar netten gevangen.")
"En zij is ook net een persoontje voor den naam met die groote, vreemde, warmblauwe oogen!" bewonderde Ro. "O gunst, ze is bekend als mooi, alle heeren dwepen met 'r. Weet je wel, Phil, op de zangvereeniging als ze wat laat kwam, rekten zich alle halzen om te zien welk toilet.... en heelemaal, als ze maar binnenkwam, waren alle meisjes jaloersch."
"Daar is 't ook net een mensch naar om naar effect te jagen. Ze wil 't wel weten dat ze mooi is."
"Och mevrouw, dat wil ieder meisje dat mooi is!" betoogde Richard, bedaard berustend in het feit, wijsgeerig onderrichtend.
"Maar ongelukkigerwijze is niet ieder meisje mooi!" betreurde Con, mevrouw Meulemans' zwaren blauwen avondmantel met geel schaapjes-bont in beide handen heffend en er haar met een vaart in latende schieten, zoodat hij haar een oogenblik geheel wegmoffelde, en Phil zich om moest keeren.
"Nu, ik heb 't dan maar liever wat minder mooi, en wat minder coquet en opzichtig, ofschoon Betsy en ik haar niet mooi vinden .... maar dat is natuurlijk smaak. Vind u haar mooi, meneer Wybrandts?" vroeg mevrouw Meulemans, wederom zichtbaar.
"Ja zeker, mevrouw, is ze móói "... Richards oogen gingen zeer wijs open, ernstig.
"Ik begrijp haar voorkeur voor avondtoiletten als haar moeder een Engelsche is."
"Een lersche, een heel oude familie.... vreeselijk chique lui!" beet Phil in nadruk toe.

Con bracht de dames niet naar de tram, zooals anders. Betsy had het gaarne gewild, maar mevrouw Meulemans sloeg beslist af, zeggend dat
zij het niet wilde eischen; zij konden toch nog een eindje samengaan met meneer en mevrouw Mater, en zoo meer...
De zaak was: dat mevrouw Meulemans een schrikkelijke behoefte had heur oordeel te luchten over alles wat er dien avond was voorgevallen. Zij en Betsy namen een haastig afscheid van den notaris met zijn vrouw, en stapten voort in hun hooggekraagde avondmantels. "Bah!" begon mevrouw, de klep harer verontwaardiging openzettend en stoom uitlatend: "wat een aanstellerig schepsel. Ik geef je haar cadeau, hoor. Zich te décolleteeren, bijna ordinair noem ik 't."

[71:]

"Heeft ma wel gezien hoe ze met haar waaier deed? En zoo'n drukte als ze maken van haar stem, alleen wat voordracht Zoo
affrontelijk tegenover mij... "
"'t Is dégoutant.... dat heele komen van 'r in de kamer, om een ander de oogen uit te steken."
"Zag ma wel dat coquet kijken naar Con? En dat negeeren van Richard? Natuurlijk vleien en vragen de meisjes Wybrandts haar, omdat
hun broers een goeie partij moeten doen. Ofschoon Cón haar toch nooit zal nemen!" knirpte Betsy met hoofdschuddende overtuiging, "want hij
zegt nou maar zoo, om de meisjes, dat ze mooi en aardig is. Maar hij sprak den heeken avond tegen mij zag ma wel?"
"Ja, dat flauwe malle geflirt van jou en Con, dat was me ook den heelen avond een ergernis!" gaf mevrouw nu haar dochter een beurt. "Er komt toch niets van. Waartoe dient 't? Hij heeft heelemaal geen positie.... klerk op een notariskantoor ...."
"Flauwe malle geflirt, als ik nog zoo gedaan had als dat nonsens-wezen... " En er ontspon zich tusschen moeder en dochter een dier bitse,
heftige woordenwisselingen, zonder welke haar het leven onmogelijk toescheen. Maar op den bodem hunner ziel pijnde de herinnering aan Iris; iemand mooier, liever, artistieker, bevalliger dan zij. En vanzelf kwamen zij weer op haar terug.
"Dan moet 't om Richard zijn, want Con is te veel kind voor zoo'n geraffineerde coquette!" besloot mevrouw Meulemans. "Ik moet altijd lachen om die chique familie zoo ver af.... in Ierland. ..."
Betsy kreeg weer lust tegen te spreken. "Zoo is ma altijd, ma gelooft nooit iets. Ik zie haar dikwijls in equipage met haar mama, en die ziet er ook netjes uit, met grijs haar; heelemaal niet nónsens-achtig. Ze zien vreeselijk veel chique lui ook.... ze wonen prachtig.... als ze mij vroegen op zoo'n bal, zou ik toch gaan...."
"Ze zullen jou niet vragen, en ik zou niet willen dat je daar kwam.... zoo'n gezelschap..."
"Ma, loopt u toch niet tegen die paardenkoppen aan. Ma loopt er altijd tegen aan."
Mevrouw Meulemans, die nu vooruitliep, keerde het hoofd om. "Ja-ja-ja-ja-ja,!" weerstreefde zij boos, met radde kaken. Toen Betsy haar in
haalde, lieten zij alle overige menschen de revue passeeren.... Alleen Jessie vond genade in mevrouw Meulemans' oogen, "zoo'n lief, zacht
meisje. Zonde dat ze vriendin is met zoo'n... "

"Ik vind Phil toch ook wel leuk... ."
"Die mevrouw Brónner... En die Koba...! Heb je wel gezien hoe onhandig ze haar kopje neerzette? precies een idioot.... hoe wil dat schepsel ooit door de wereld.... 't kan me ergeren."

[72:]

"Meisjes, heb jullie hier nog lang werk? ik zou graag 't gas hier uitdraaien!" zei Richard.
"Jessie!" dreigde Phil, toen heur zuster, na Kern uitgelaten te hebben, de kamer weer binnentrad. "Vraag nóg eens dat mensch Meulemans, en ik ga den heelen avond in de keuken zitten."
Jessie antwoordde niet. Het leek haar toe dat Kern minder innig was geweest dan anders, en zij had nu een droef verlangen naar de lief-koozingen die zij anders versmaadde. Zij keek treurig.
Richard zag 't, en hij werd bitter op Iris. Hij hield de hand aan de gaskroon: "Meisjes?"
"Ja Richard, draai maar uit. Ik zal den boel morgenochtend wel af-wasschen, en Phil helpt wel even, ja Phil?"
"Ja, o ja!" beloofde Phil slaperig, in een morgen-ochtend-ijver.
"Ja, en dan wou ik dat je het deed, en 't niet bij woorden liet!" zei Richard, even vluchtig met zijn lippen Jessie's voorhoofd aanrakend in een goedennachtkus, zooals hij 't vroeger dat zijner moeder had gedaan. Phil en Ro kregen niets, zelfs geen hand. Niemand mocht Richard feitelijk aanhalen dan Grace, die zich dat recht veroverd had door stoute pogingen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina