doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Thèrèse Hoven: Vervreemd. Indische roman
Amersfoort: Valkhoff & Co, 1906


[242:]

HOOFDSTUK VII.
Nawerking.

Nauwelijks was de bezoeker vertrokken, of het dagmeisje van de dame, bij wie mevrouw Reewald inwoonde, kwam binnen met den etensdrager van den kok.
"Ik hét 'm maar zoo lang benejen gehouwe. De juffrouw zei, as dat ik maar nie' binnen most gaan om te dekken, om reden as dat mevrouw bezoek had. Allemachtig, wat is 't hier donker! Dat komp door dien muur an den achterkant, die maak' de heele swiet donker. Wach' ik zal 's eerst 't licht ansteke - heeremensche... wat is dat nou... Och! God, ik ben over den etensdrager gestruikeld; as de sju nou maar niet der uit is geloope... want dan krijg ik op me falie...
Corrie hoorde als in een droom!
De schrille stem van 't dagmeisje klonk zoo vreemd, na de diepe basstem van den kapitein!

[243:]

"Wat zeg-je, Dirkje?"
"O! zoo? Ik doch' warempel, as dat u me geen asem geve wou. Ik zoek de lucifers, waar binne die nou weer?"
"Wacht, hier zijn ze,.. steek de lamp maar aan... en haast-je wat."
"Heeremensche :-- wat een kommandement; we bènne niet in de Oost; we bènne hier geen zwarte slaven...
"Mevrouw krijgt toch zelf ook wel die briefjes van vargaderingen en zoo. - Dan zal mevrouw wel gehoord hebben van den dienstbodenbond? Ik ben der ook lid van -...en we hoeve niks meer af te wachten - niet zooveel! - Wacht, la' me nou 's kijke - of ik goed gedekt heb? - Eén màtje voor 't vleesch -en twee voor de groentes en een voor de sju... en twee vorreke ... en drie lepels... en twee messe. Gut, ik zou nie' wete, wat ik der mee uit most voere. Een groote lui's drukkie, al die lepels en vorreke... en werk voor de meide, anders niet."
"Kun-je nu niet, voor eens, dekken, zonder er zoo onophoudelijk bij te babbelen?" vroeg mevrouw Reewald boos.
"Nee, dat kan ik hou 'reis niet," was 't brutaal gegeven antwoord. "Een mensch hèt geen tong van Onzen Lieven Heer gekrege om stommetje te spele."
"Goed -- dank je; ik zal de rest zelf wel doen."

[244:]

"Hè, laat mijn nou voor u uitpakke, dat vind ik zoo moppig," fleemde 't kind, op veranderden toon.
Ze wist, bij ondervinding, dat mevrouw meestal een paar spijzen afkeurde en zij die dan hebben mocht.
Haar juffrouw nam zelf af en hield dan ook zelf wat er overschoot. De conditie was, dat 't dagmeisje naar huis zou gaan, zoodra ze, voor mevrouw boven en voor de juffrouw beneden, gedekt had.
Mevrouw Reewald liet haar begaan; ze was nog te zeer onder den indruk van haar gesprek met Kapitein Grootveld om veel acht te geven op wat zoo'n kind zei of deed.
"Gossie! Nou hebbe ze al weer soep gegeve en die lust u niet! Ik wel. Juist lekker, dat geslobber, 't glijdt er zoo lekker in, je doet je kieze geen pijn met kauwe, en nog wel met vermeceldi en balletjes."
Ze zette de schaaltjes op tafel, onder de hand haar op- en aanmerkingen makende: "Bokkum! hè, ik wou dat ik er een moch' - Hard gebakke bènne ze! Met schijfies appeltjes der op - leuk! En wat een schaal aardappels; nou, dat zal de juffrouw meevalle! - En dat gele goed? Is dat pudding?"
Mevrouw keek uit 't raam, ofschoon er niets te kijken viel; Dirkje stopte dus even haar wijsvinger in 't gore moesje, dat ze voor pudding hield, maar dat een melig botersausje bleek te zijn, welke ontdekking haar een verontwaardigd "ajakkes" ontlokte.

[245:]

Corrie keerde zich even om en wendde zich daarna weer, met een gebaar van afschuw, naar het raam toe.
Afschuwelijk toch, zoo'n vrijpostig, lomp, Hollandsch dagmeisje, als je aan de onderdanige, goed gestyleerde, Indische bedienden gewend was.
Zonder zich te storen aan den mogelijken indruk, dien ze op haar tijdelijke meesteres kon maken, vervolgde Dirkje haar appreciatie van het koksdiner, dat elken dag op nieuw een bron van verbazing en bewondering was voor het thuis half uitgehongerde hitje! -
"Gedroogde appeltjes, fijn! En dan nog witte kool en 'n runderlap wel van een ons of drie! Waar mot 'n mensch 't late? - En drie flenze... ik wou, dat ik der eentje van hebbe mocht! Mag ik mevrouw?"
En toen er geen antwoord kwam van de zwijgende gestalte bij 't venster, herhaalde ze haar verzoek: "Mevrouw, as dat Dirkje vraagt of ze een van die flenze mag hebbe? U eet der toch geen drie en ze bènne zoo lekker, fijn!"
Een siddering van afkeer doorvoer Corrie... 't was haar, alsof haar geheele verdere leven, als 't ware, gesymboliseerd was in de manieren en 't spreken van dat kind uit de achterbuurt; of ze altijd een gevoel van walging zou hebben tegen haar omgeving. Ze luisterde echter niet naar't geen het dienstmeisje zei en dacht er niet aan haar te woord te staan, geheel vervuld als ze was van haar eigen gedachten.

[246:]

Dirkje mopperde binnensmonds: "Nou, die heit weer de bokke-pruik op! Gierige duvel! Kale medam! Gunt een arme meid niet eens een flens! 't Is zonde nog an toe, ze eet ze toch niet alle drie en de juffrouw krijgt ze toch maar. Zoo'n gierigaard, gunt een ander niks.
"Weet-je wat, ik neemp 'm, ze staat toch met der rug naar mijn toe. Wè ja, as een ander 't niet voor je doet, mot je voor je zelf zorge, anders kom je er bekaaid af." -
Exit Dirkje! -
Corrie slaakte een zucht van verlichting, toen ze de deur achter haar hoorde dichtgaan.
Ze zette zich werktuigelijk aan tafel en sloeg een minachtenden blik op de spijzen, welke het meisje zoo verlokkend hadden toegeschenen.
Koks-eten was afschuwelijk; het vleesch was altijd taai, de witte groenten smaakten naar ranzigen reuzel, de andere naar groene zeep, de gebakken dessertjes naar de pan en de puddinkjes naar pommade. -
En zoo flauw was alles; notemuskaat scheen wel de eenige specerij, welke het burgerrecht in de Hollandsche keuken had verkregen. Ze miste haar lekkere rijsttafel!
Zondags, den eenigen dag, waarop Reewald thuis was voor den beroemden, Indischen hoofdmaaltijd, had ze altijd gezorgd, dat 't extra-extra was. In den kampong,

[247:]

achter haar huis, woonde een nonna, die eten uitzond en bekend was om haar uitstekende sambals en ajars en andere Indische toespijzen bij de rijst, evenals voor haar spekkoek en andere gebakken.
Dank zij haar hulp, had mevrouw Reewald's Zondagsche rijsttafel een soort van vermaardheid onder haar kennissen gekregen.
Haar nassi goreng was onverbeterlijk, Reewald genoot er van en nam de honneurs er van met echt Oostersche gastvrijheid waar.
Hij had 't altijd prettig gevonden, als er eenige gasten waren en, uit een materialistisch oogpunt, was het 't gelukkigste uurtje van de week voor 't echtpaar.
Reewald smulde met luide tevredenheids-betuigingen en Corrie smulde niet minder in stilte, ofschoon ze het aan haar waardigheid van volbloed Europeesche verschuldigd meende te zijn, een souvereine minachting voor al dien Indischen poespas aan den dag te leggen.
Dat hinderde hem dan wel een beetje - en soms een beetje geducht - maar onder 't genieten van een heerlijk en overvloedig maal, in 't vooruitzicht van een lange siësta, is een man al licht geneigd heel wat te verdragen; en dat van een knappe, appetijtelijke vrouw, met wie hij die siësta hoopte te deelen.
Corrie zelf had altijd erg opgezien tegen wat zij de verliefde diggestie van haar man noemde.
Ze wist wel, dat de rijsttafel de eigenschap bezat,

[248:]

erg op te wekken en dat de vrouw, die haar man een flink gekruid maal voorzette, zich op zijn liefkoozingen moest prepareeren; maar, zelf niet van een verliefde complexie en nooit met aanvechtingen in die richting te kampen hebbende, was het haar steeds een ergernis.
En vreemd, nu dat ze mijlen, ja weken, van haar man af was… en ze, in plaats van een gepeperde rijsttafel, een slecht toebereid, flauw koksmaal genoot, kwam er iets van verlangen in haar.
't Zelfde, waarop ze zich zelve betrapt had, toen ze Kapitein Grootveld verwachtte en ze zich hem als een mogelijken trooster voorstelde.
Ze had zich toen verbeeld werkelijk iets voor hem te voelen en nu dacht ze, met vreemd verlangen, aan Reewald; zooals ze anders nooit had gedaan.
't Gold dus niet den man, haar eigen man of haar vriend, maar 't mannetje in 't algemeen, 't laki, zooals ze 't in Indië noemden.
Corrie stond op en ging naar haar slaapkamer, nadat ze gescheld had, ten teeken dat er afgenomen kon worden.
Gewoonlijk hield ze dan een praatje met haar huisjuffrouw, die daarop. erg gesteld was en altijd trachtte van haar eene commensaal allerlei wijsheid op te doen, ten einde die aan volgenden te kunnen luchten.
Meestal had mevrouw Reewald er een zeker vermaak in geschept, 't Hollandsche menschje, dat nooit

[249:]

gereisd had, van de wonderen in de tropen te vertellen en in 't bizonder van haar eigen huis en erf.
In den laatsten tijd had ze 't er steeds op aangelegd om het gesprek op haar kinderen te brengen en had ze in den breede uitgeweid over Coba's volgzaamheid en aangeboren goedheid en meer nog over de aardige stoutheid van Pietermannetje.
Maar nu had ze 't niet over zich kunnen verkrijgen om met een wildvreemde over haar tehuis en haar kinderen te spreken.
Ze moest eerst tot kalmte komen; het onderhoud met Kapitein Grootveld had haar heelemaal van de wijs gebracht.
Hij was schandelijk lomp tegen haar geweest en had haar geenszins met de achting en onderscheiding behandeld, waarop zij recht meende te hebben, en toch kon ze er niet boos om zijn.
Hij had haar krachtig aangegrepen, haar in figuurlijken zin, door elkander geschud, hij had haar als een zieke beschouwd en haar een paardenmiddel toegediend, en werkelijk, 't had geholpen.
Onlangs had een harer zusters tot haar gezegd: "zoodra je er een dokter bij neemt, voel je pas, dat je ziek bent; vóór dien tijd tracht je je nog in te praten, dat het verbeelding is."
Dat was nu 't geval. Ze had zich reeds lang ziek gevoeld, vaak reeds was het bij haar opgekomen, dat

[250:]

ze moreel krank was. Het bezoek van den geestelijken arts, verpersoonlijkt door Kapitein Grootveld, had haar dit bevestigd.
Ja, hij had gelijk gehad. Als ze niet zoo door en door zelfzuchtig en gemakzuchtig was geweest, zou ze zoo niet weg zijn gegaan van haar man en kinderen en van haar huiselijken haard.
Ze was laf geweest, ze had tegen heftige scènes op gezien; alles wat de Kapitein gezegd had, was letterlijk waar. Haar eigen rust was haar boven alles dierbaar geweest, ze had haar ziel in de plooi willen houden, was bang geweest haar gemoedsrust te kreukelen - als een communie-kind, dat bang is voor haar nieuwe pakje.
"Ik ben een draak!" zei ze na een poos van zelf- onderzoek. - "Ik had heel anders moeten doen."
Dat was de eindsom harer overdenkingen.
En ze trachtte zich voor te stellen, hoe 't zou geweest zijn, als ze zich als een echte vrouw, en niet als een koude egoïste had gedragen.
Reewald was wel in haar teleurgesteld, nu ja, maar hij was toch ook maar een man, en als ze berouw had getoond en ze hem vergiffenis had gevraagd, dan zou hij wel toegegeven hebben.
Hij was wel een koppige sinjo, maar hij was toch mensch, meer dan zij.
Corrie zuchtte. Ze zag nu haar dwaling wel in,

[251:]

maar nu was het toch te laat. Dat kwam nu van dat ellendige Indië. Als zoo iets in Europa gebeurde, dan was je dichter bij elkander en dan was er nog wel eens iemand, die je weer bij elkander bracht.
Een Hollander, die plotseling, of langzamerhand, tot de ontdekking zou komen, dat hij in zijn vrouw teleurgesteld was, zou haar toch niet zoo ineens naar Indië of ver wegsturen.
Zelfs in dat wegsturen was iets typisch Indisch, een overblijfsel van het njai-systeem en van inlandsche zeden.
Als er geen andere vrouw in het spel was, deed een Hollander zoo iets zeker niet.
En nu zat ze toch maar in Europa en waren hij en de kinderen in Indië.
Ze kon toch niet naar hem toegaan... hoewel haar eigen trots 't haar niet beletten zou. Ze zou er niets in vinden, zich voor hem te vernederen. Ze voelde zich sterk, zijn liefde terug te winnen - met liefkoozingen en beloften voor de toekomst. Maar 't was onmogelijk. Ze had geen geld. Reewald stuurde haar elke maand f 250. Dat was genoeg om in Holland van te leven.
Als ze meer zou verlangen, zou hij haar meer sturen, daar was ze zeker van; schriel was hij allerminst en hij verdiende flink.
Behalve zijn zaak, die goed rendeerde, had hij, evenals de meeste Indisch-lui, aandeel en in landelijke onder

[252:]

nemingen, in kina-aanplantingen op Java, in peper-, koffie- en tabaks-landen op Sumatra. Ze wist 't niet eens zoo alles. Ze had er zich nooit heel erg voor geïnteresseerd. Zoolang zij maar genoeg had om 't zich lekker te maken en zij als rijke koopmansvrouw bekend stond, was ze tevreden.
Toch had ze, nadat ze van haar man af was, geschroomd om meer te vragen, en die aarzeling was langzamerhand toegenomen.
In haar goede oogenblikken had ze er iets vernederends in gevonden, zich zoo door haar man te laten onderhouden. Margot en Dora hadden er eens met haar over gesproken, natuurlijk in 't algemeen en zonder te toonen, dat ze haar speciaal geval op 't oog hadden.
Ze hadden 't quasi over een gescheiden vrouw in haar omgeving gehad, die 't zich kalm liet aanleunen, op kosten van haar vroegeren man, een gemakkelijk, lui leventje te leiden.
Daarop hadden de beide zusters dit ten hoogste afgekeurd en eenige andere voorbeelden aangehaald van vrouwen, die zich een onafhankelijken werkkring hadden geschept. Dora vooral had er zich heel heftig en beslist over uitgelaten en had o. a. gezegd: "Een maintenée koopt men af, maar niet een wettige vrouw. Als ik, als vrouw, niets meer voor mijn man zou zijn, zou ik ook geen geld van hem willen aannemen. Daarin

[253:]

zou ik een grievende beleediging zien. Als ik schuld had, zou mijn schaamtegevoel er mij van terughouden, en in het tegenovergestelde geval, zou ik er te trotsch voor zijn."
Corrie had toen, met schampere minachting, opgemerkt: "De beste stuurlui staan aan wal; iemand, die niet eens getrouwd, dus veel minder gescheiden is, kan er heel gemakkelijk over praten. Ik zou even goed kunnen zeggen - als ik les gaf, zou ik er geen geld voor willen hebben, ik zou er te trotsch voor zijn... ik zou het con amore doen."
"Dat is onzin, men moet leven. En ik doe er wat voor."
"Een gescheiden vrouw moet ook leven en ze heeft er wat voor gedaan, ze heeft toch maar de beste jaren van haar leven aan haar man gewijd; als je dat dan niets noemt?"
"Dat heeft ze niet uit offervaardigheid gedaan, maar om 't zelf goed te hebben," had Dora, wel wat doorzichtig, gezegd.
Margot was de schrik om 't hart geslagen en zij had er waarschijnlijk meer onder geleden dan Corrie zelve, die er zich volstrekt niets van scheen aan te trekken en heel kalm had opgemerkt: "Jou theorie is misschien heel mooi... als theorie, maar in de werkelijkheid heeft men met iets anders rekening te houden dan met gëexalteerde gevoelens. Een vrouw zou wel

[254:]

gek zijn, zelf te gaan werken en zich af te beulen en af te sIoven met les geven of kamers verhuren of wat ook, als ze niets anders te doen heeft dan elke maand een wisseltje te gaan incasseeren!"
Dora had zich met moeite bedwongen; als zij Margot niet zoo stellig beloofd had, zich onwetend omtrent de ware reden van Corrie's terugkomst te houden, zou ze zeker wel haar meening gezegd hebben.
Nu zweeg ze, terwijl Margot, de vredestichtster, er over heen sprak en betuigde, dat niemand ooit moest wanhopen en dat er nog zooveel terecht kwam.
Ook deze woorden herinnerde Corrie zich.
Zou het werkelijk mogelijk zijn? Zou Reewald zich met haar willen verzoenen? Ze zag zich weer terug in haar ruim, mooi huis - haar plichten als vrouw en moeder vervullende.
Ze was wel geen sentimenteele echtgenoote of een overteedere moeder geweest, maar van nature plichtmatig en netjes, en zorgzaam uit ijdelheid, was ze toch een goede huisvrouw geweest.
Alles had goed gemarcheerd en Reewald had nooit reden tot klagen gehad.
Of hij nog aan haar zou denken, en hoe?
Zij verlangde echt naar hem; geen spoor van wrok of boosheid was er meer in haar aanwezig; als zij, door een wonder, in zijn tegenwoordigheid zou worden gebracht, dan had ze hem, uit eerlijke impulsie, kunnen

[255:]

omhelzen en zou ze volkomen waar zijn, als ze hem zou zeggen: "Vergeef me, ik had ongelijk. Het was schande van me om je zoo met minachting te behandelen... je bent beter dan ik..."
Corrie's koude, staalgrijze oogen vloeiden over… heete tranen rolden over haar wangen en over de bedak, welke ze er, ter eere van Kapitein Grootveld, met milde hand op had gesmeerd.
Ze voelde zich bepaald verteederd; ze had diep medelijden met zichzelf... en toch was ditmaal haar spijt niet enkel zelfzuchtig.
Ze dacht aan Reewald, kassian, poor boy!
Hij was toch altijd zoo goed voor haar geweest; wat hij aan liefde en teederheid geven kon, had hij haar gewijd.
En zij had 't zich laten aanleunen en er bitter weinig voor teruggegeven.
De hoogstaande, charmante vrouw van de wereld, die ze altijd in haar eigen oogen geweest was, verminderde in waarde; de schittering van den stralenkrans, waarmee zij zelve haar hoofd omgeven had, verbleekte.
Van 't ideaal, dat zij zich van haar persoon gemaakt had, bleef maar weinig over.
Mevrouw Reewald zag zich zelf in andere kleuren, in een ander licht, en, jammer genoeg voor haar gekrenkte eigenliefde en ijdelheid... ze kon niet zeggen "aangenaam 'kennis te maken."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina