doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Annie Foore: Wederzien
Utrecht: A.W. Bruna & Zoon, zr. jr.


[91:]

"Niet waar, Anne, we wisten dat hij vroeg of laat zou worden overgeplaatst… 't Is wel heel plotseling, dat valt niet te ontkennen…"
"Komaan, Batavia en Soerabaia liggen niet ver van elkaar."
"Arm kind, moeder zal je den wachtenstijd wel doorhelpen."
"En vader is er ook nog, liefje!"
Aldus op bewogen toon de oudelui Bloem.
Het meisje antwoordt niet. Ze houdt den blik gericht op den weg, zoo vroolijk in zijn gouden bad van ochtend-zonneschijn, op het open rijtuig dat voortrolt langs dien weg, op den geliefde, daarin overeind gerezen, haar zijn afscheidsgroet toewuivend, de slanke gestalte tot haar gekeerd, het schoone hoofd gekroond met een aureool van kleurige stralen.
Eindelijk, als het op dien weg met zijn morgenglanzen nacht is geworden voor haar, keert ze zich om.
"Vader, u behoeft het u niet zoo aan te trekken om mij; 't is zoo erg niet… honderde geëngageerde meisjes moeten hetzelfde doorstaan… wezenlijk, 't is zoo erg niet."
Toch, dat arme strakke gezichtje, die brandende oogen, die krampachtig saamgeklemde handen, ze zijn in lijnrechte tegenspraak met haar bewering.

[92:]

"Ik wou dat ze een deuntje huilde," denkt de heer Bloem. Hij trekt haar naast zich op den divan, drukt de ijskoude handjes in de zijnen en begint te spreken over de toekomst, de toekomst met Leo.
"De toekomst met Leo… O, dat is nog zoo ver weg! Laten we daar nog niet over praten… ik wil aan u denken, voor u leven… U noemt me altijd uw moedig meisje… ik moet nu eens toonen hoe moedig ik ben."
"Ik wou dat zij een deuntje huilde," denkt de vader weer.
Daar komt Doortje naar binnen stuiven, rood als een pioenroos, met oogen, dik gezwollen van het schreien.
"Och, groote grut! Is me dat een hartklopping! Dirk, ik voel het nu pas, ik voel het aan mijn benauwdheid! Ik hield dol van den jongen, ik hield van hem of het mijn eigen zoon was," en ze valt buiten adem neer op den divan.
Dit is het tooverwoord dat de sluizen opent voor Anna's lang bedwongen tranenstroom; een zachte gloed verspreidt zich over haar bleek gezichtje, een teedere glimlach opent de vast opeen geklemde lippen en ze valt snikkend in moeders armen.

Als het mogelijk is, dat er op aarde volmaakt geluk gevonden wordt - en somwijlen kunnen we het wel eens voor een korte tijd gelooven, Goddank! - als het

[93:]

mogelijk is, dan smaakten de heer en mevrouw Bloem het in het jaar, dat op Leo's vertrek volgde.
Ze leefden voort, eenvoudig en bescheiden, zoo als het met hun aard en opvoeding overeenkwam; ze bleven door hun veranderde omstandigheden ver van die wereld, waarin ze zich altijd zoo vreemd hadden gevoeld, en - ze waren in het volle bezit van hun kind.
Zeven jaren hadden ze haar gemist; nooit zóózeer gemist, als toen ze meenden haar te hebben weergevonden en ervaren moesten, hoe ze met elken dag van hen vervreemdde, hoe ze uit de armen die te vergeefs beproefden haar te omstrengelen, zich losmaakte om zich te keeren naar vreemden.
Maar nu, nu waren ze allen weg: de wereld die haar had gelokt en gevleid; de aanstaande ouders, wier gezelschap ze een oogenblik had kunnen verkiezen boven vader en moeder; de vriendin, aan wie ze het vertrouwen schonk, waar moeder te vergeefs om smeekte; de geliefde, wien ze aanhing met ziel en zinnen. Ze waren weg, en nu was het alles voor hen: het verrukkelijk lachje, het vriendelijk woord, de blik dier heerlijke oogen, de kus dier lieve lippen en, meer dan dat, de reine liefde van dat edel hart.
Ja, het was - of ten minste later scheen het - een jaar van volmaakt geluk, dat jaar, waarin de dochter

[94:]

alles gaf wat ze te geven had, waarin de ouders dankend ontvingen, meer dan ze zich hadden gedroomd in hun schoonste droomen.
Helaas! zoo we er somwijlen aan gelooven kunnen, we weten dat volmaakt geluk nooit van langen duur mag zijn.
't Begon met dat telkens en telkens weder uitstellen van het bezoek, dat Leo beloofd had zijn meisje te brengen.
Toen dat vragen naar brieven, die niet kwamen.
Weldra Doortje, Dirk opwachtend bij zijn terugkeer uit de stad, met het gefluister: "Iets voor háár?" en meest het antwoord: "Neen, niets."
Later, gesprekken tusschen vader en moeder, als:
"Hij schijnt het erg druk te hebben tegenwoordig."
"Ja."
"Of misschien werd hij verhinderd…?"
"Misschien."
En Doortje, die aarzelend uitbrengt:
"Dirk… je denkt toch niet… dat…?"
En Dirk, die zijn vrouw aanziet met doodsangst op het gelaat, en fluistert, met wanhoop in de schorre stem: "Moeder, ze zou het besterven."
Niet lang daarna elken avond dezelfde samenspraak tusschen de ouders:
"Hoe vondt je Anna vandaag?"

[95:]

"Wat bleekjes, hé?"
"Ja, erg bleekjes."
"Maar anders vroolijk?"
"O, zeker, heel vroolijk."
"Ik… ik verbeeld me, dat ze er slecht uitziet."
"Ja…? Och, zeg dat niet, moeder! 't Zal van de warmte wezen… Denk je niet? Ze heeft het me vandaag nog verzekerd, en dat ze gelukkig was en tevreden."
"Dat zegt ze telkens, het lieve kind. Het zal dan zeker verbeelding van me geweest zijn…"
Eindelijk, vader en moeder voor de gesloten deur van Anna's kamer, elkaar steunend om niet neer te zinken bij het luisteren naar dat zwakke stemmetje daarbinnen.
"Ik kan niet meer… ik kan niet meer! Het veinzen valt me zo zwaar. En toch, ze mogen niets weten! Ze moeten aan mijn geluk blijven gelooven… tot ik sterk genoeg ben…. Sterk genoeg om dàt te dragen… het leven zonder hem? Leo! Leo! O, mijn lieveling! Ik kan het niet gelooven! We hadden elkaar zoo lief. Als ik maar sterven mocht! Maar neen… arm vadertje, arme moeder! Wat zouden ze beginnen zonder hun eenigste…? Neen! ik moet leven…. O, God!"


inhoud | vorige pagina | volgende pagina