doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Louise B.B.: ´Een Anak Pyara´ (een aangenomen kind)
uit: De Indische Mail, 1886


[921:]

“Ha, ha,” lachte Rika honend, “dat zal hem heugen,” maar eensklaps bedaard en ernstig wordende zeide zij: “maar nu moet ik voor u zorgen!”
Zij wiesch hem gelaat en handen, hield een kouden lepel tegen zijne builen en besmeerde zijn krabben met een zalfje nog afkomstig uit de beroemde apotheek van de oude mevrouw Vermeulen.
“Ga nu stil naar huis, ziet ge kans ongemerkt in uwe kamers te komen?”
“Ja zeker en niemand heeft me tot nu toe gezien.”
“Zorg dan dat niemand u verder herkent en wat uwe wonden en builen betreft, zij zullen gauw genoeg genezen. Als iemand u vraagt hoe ge er aan komt, zeg dan, dat ge gestruikeld zijt over een steen en met uw gezicht in het grint terecht gekomen zijt, toen ge den tuin van uwe verloofde doorkwaamt.”
“O Rika!”
“Stil, ga nu heen, als ge genezen zijt wordt ons engagement publiek en we trouwen wanneer ge wilt.”

Kalm, zelfs vroolijk verrichte Rika den volgenden dag haar werk. Toen de heer Greenfield ’s middags uit de stad kwam, vertelde hij onder zijn kopje thee, aan zijne vrouw het geheele geval van van Uitendaal, terwijl Rika die ter zijde aan het theeblad bezig was, alles hooren kon…….
“De koetsier van een rijtuig – dat daar voorbijreed zag hem, doordat de paarden schrikten, dwars op den weg liggen. Ze droegen hem in huis, hij was bewusteloos maar kwam langzamerhand weer bij. Van ochtend ben ik even naar hem toegereden, de arme kerel zag er erbarmelijk uit.”
“Hoe vreeselijk toch en weet men er al iets van, hoe alles zoo gekomen is.”
“Zoo goed als niets, Uitendaal herinnert zich alles zeer verward. Hij weet alleen, dat de aanrander een inlander was, men heeft dan ook een hoofddoek niet ver van de plaats der worsteling gevonden,”- Rika schrikte, ze herinnerde zich eensklaps dat ook werkelijk dat kleedingstuk aan Rudolf’s vermomming ontbroken had, zonder dat ze er toen acht op had geslagen, maar ze herademde toen de heer Greenfield vervolgde – “maar ’t is zoo’n gewone gebatikde doek zonder eenig herkenningsteeken. Men had dadelijk vermoeden op een inlander in een onzer pakhuizen, die Uitendaal op heeterdaad van diefstal betrapt heeft en op staanden voet wegjoeg, maar de man heeft zijn alibi kunnen bewijzen en hij is weer op vrijen voeten gesteld. Die arme Uitendaal zal intusschen nog weken lang vreeselijk moeten lijden. Zijn neus is gebroken, zoodat hij zijn leven lang wel met een krommen neus zal moeten loopen. ’t Is jammer van den knappen kerel.”
Rika had het wel willen uitschateren, ze bracht echter met een gelaat, waarop niets te lezen stond, haar heer en mevrouw hun tweede kopje thee.
Wie de eigenlijke dader was, kwam echter nooit aan het licht, evenmin als Rika’s engagement eenige sensatie verwekte.
Hetzij de heer Uitendaal gehoord had, dat Rudolf hem Rika’s naam toeschreeuwde, of dat hij ook zonder dat begreep, uit welken koker de slagen kwamen en niet wilde dat er voor hem compromitteerende praatjes uit nader onderzoek van het geval zouden voortkomen, verklaarde hij slechts verwarde inlichtingen omtrent de zaak te kunnen geven en kon bij geen mogelijkheid, aangezien het pikdonker was toen hij werd aangevallen, den dader identifiëeren. Hoe ijverig zich de politie ook toonde, het geval bloedde dood.
Marie feliciteerde Rika hartelijk met haar engagement. Hoewel het niet op de wijze was, die zij verwachtte, raakte zij toch van Rika verlost, en dat stemde haar zeer tevreden. Zij was dan ook zeer mild, toen zij Rika eene gift deed voor haar uitzet en toen de jonge aanstaande echtgenoot een huisje

[922:]

 huurde op Kroepoet, schonken de dames Meijer en Greenfield Rika het eenvoudige maar nette ameublement.
“Als ik nog wat voor je doen kan Rika mmioet ge mij het maar zeggen,” zeide Marie op de dag van Rika’s huwelijk.
“Gaarne mevrouw,” Rika was nooit meer tekort geschoten in onderwerping sinds ze geëngageerd was.
“ Als u zoo goed zou willen zijn mij bij verschillende dames te recommanderen als japonnennaaister zoudt u mij zeer verplichten. Het inkomen van Ravenswaay is te klein om er van te kunnen leven.”
“Heel goed, kindlief,”zeide Marie minzaam, “ik begin met je aan te stellen tot mijne naaister voor kabajas, peignoirs en daagsche japonnetjes en gij zult zien dat ge nog veel werk krijgt van al de klanten die ik u brengen zal.”
De eenige die tranen stortte toen het stille huwelijk voltrokken werd en Rika haar jongen echtegnoot volgen zou naar diens nieuwe woning, wasmevrouw Meijer. De oude dame had zich zeer aan Rika, met wie zij tal van jaren voorspoed en ellende gedeeld had, gehecht.
Ook Rika was bewogen.
“Mijn lieve kind, mijn hart is zoo verdeeld, hier is mijn kind en mijn tjoe-tjoe (kleinkind) en dáár zijt gij, ik weet niet waar mijn hart het meest naar toe trekt.”
“Ma, gij blijft natuurlijk hier en past op uw ziekelijk kleinkindje. Maar Rudolf en ik zullen eene kamer bij ons huisje laten bouwen en als ge hier niet blijven wilt, dan komt ge bij ons, uwe andere kinderen, ge weet dat ge welkom zijt en nu vaarwel.”
“Vaarwel mijn lieve kind, mijn anak mas!” Een laatste innige omhelzing en moeder en pleegdochter scheidden van elkaar.

Rika woonde hoogst genoegelijk in haar nieuw huisje, waar zij alleen te bevelen had, want hare zachtzinnige echtgenoot stond geheel onder hare bevelen, wat hem volstrekt niet onaangenaam was. Mevrouw Ravenswaay was een knappe, ferme huisvrouw, die aardig geld verdiende als naaister, haar huisje en haar manskleederen netjes in orde hield en hem deed smullen aan al de Europeesche en Indische gerechten, wier naam hij tot nu toe zelfs niet gehoord had.
Zoo leefde beiden eenigen tijd vergenoegd voort, toen op zekeren ochtend omstreeks elf uur een karretje voor de deur stilhield, mevrouw Meijer er uitsteeg, in huis kwam, en door Rika hartelijk gekust werd.
Op Rika’s eenvoudige vraag: “Hoe kunt ge op dit uur bij u thuis gemist worden,” barstte hare pleegmoeder in tranen uit en verhaalde eene lange lijdensgeschiedenis, die in het kort op het volgende neerkwam:
Reeds kort na hare en Rik’s komst bij mevrouw Greenfield, had zij, na aan hare bezigheden gewend te zijn, bemerkt vrije tijd in overvloed te hebben en was er bedacht op geweest, nog eene tweede broodwinning er op na te houden.
Haar angeboren koopmansgeest, door de gunstig gedreven koekebakkers-affaire te Buitenzorg ontwikkeld, had nooit meer gesluimerd en mevrouw was op de gedachte gekomen ook te Batavia eene kleine affaire op te zetten. Achter haar huisje lag eene grasvlakte, Marie en haar man kwamen daar nooit, zoodat zij daar veel kon doen zonder dat het bemerkt werd. Ze kocht dus eenige koeien en liet deze op het grasveld grazen, bouwde een kleine stal en een groot kippenhok dat dadelijk bevolkt werd.

[923:]

Voorts maakte zij eene omheining van pisangboomen om het grasveld en behield zonder gewetensvroeging de klapperoogst der verschillende boomen op het groote erf voor zich zelve.
“Als ik de klappers niet nee,” zoo motiveerde zij hare handelswijze tegen Rika, “doen de bedienden het en het is beter zoo.”
Zoo begon ze dan handel te drijven in melk,eieren, vruchten, klappers en olie die zij zelf bereidde. De nennek, die haar gevolgd was, werd ook hier het middel waardoor al die heterogene waren werden omgezet in klinkende munt.
Maar ook in Marie ontwaakte langzamerhand den heriditairen handelsgeest, waaraan sommige Indische dames, hoe rijk of hooggeplaatst ook, zich niet schijnen te kunnen onttrekken en ze begon naar middelen te zien om dien aandrang te volgen, doch in het geheim, daar de rijke koopman Greenfield, niet erg gesticht zou zijn geweest, wanneer hij in vrouwlief een collega had moeten erkennen. Ze koos, daar hare maatschappelijke positie zooveel beter was dan die harer moeder, ook vrij wat edeler waar en nam om die te verkoopen ook nennek in de armen. De oude slimme Inlandsche had nu een dubbelhartige rol. Haar oude meesteres mocht niet weten, dat ze Marie’s employée was en de laatste moest eveneens onkundig blijven van de zaak harer moeder. Dus ging ze elken ochtend op weg beladen met gebak, melk, vruchten en eiereren, de koopwaren uit het kleine huis, en met een zakje vol juweelen steenen, kostbare sarongs en staaltjes van zijden en fluweelen stoffen – die Marie met groote stukken uit Parijs liet komen en trachtte met een aardige winst per el te verkoopen – afkomstig uit het groote heerenhuis. Het was haar ernstig ingeprent dat zij niet mocht zeggen wie hare meesteressen waren. Maar wie is praatzieker dan eene oude vrouw en de inlandsche geven hare westersche zusters op dat punt niet toe. Als nennek neergehurkt op het matje bij de toekan mendjahit wachtte op het geld dat Mevrouw zou halen, of uitrustte van het warme vrachtje, knoopte zij dadelijk een gesprek aan met de naaisters vooral als deze haar een pruimpje sirih aanboden. Met vele slimme toespelingen verklapte zij niet zelden de namen der beide meesteressen en hare onderlinge familiebetrekking, het geheim zoo zorgvuldig door moeder en dochter bewaard.
Natuurlijk vertelde mevrouw’s lijfmeid, die bij de daït zat, onder het kleeden ’s middags die interessante mededeelingen aan hare Mevrouw.
Zoo kende weldra verscheidene van Marie’s vriendinnen diens betrekking tot hare huishoudster en praatten en lachten daarover als zij onder elkaar waren.
“Zoo’n betinka nest,” zeiden eenigen verontwaardigd, “en zij neemt airs aan, of niemand voornaam genoeg is met haar om te gaan.”
Al spoedig moest Marie enkele boosaardige toespelingen hooren, die zij eerst niet begreep, maar toen zij bemerkte wat al die steken onder water beduidden, kende hare verontewaardiging tegen hare moeder, dien zij verdacht het geheim verklapt te hebben, geene grenzen.
Een geheele nacht moest zij over haren toorn laten heengaan zonder die te kunnen stillen, eerst des ochtends vroeg, toen haar man naar zijn kantoor gereden was, riep zij hare moeder bij zich en verweet haar met snijdende en heftige bewoordingen haar “ondankbaar gedrag.”
De zich van geen kwaad bewuste oude dame trachtte eerst kalm en bedaard haar onschuld te bewijzen, maar gegriefd door de taltijke onverdiende verwijtingen die haar onophoudelijk naar het hoofd werden geslingerd, raakte zij ook opgewonden en kwam toen in driftige uitvallen en verwijten niet te kort.
“Ik wil u niet langer in huis hebben,” verklaarde Marie en als ge niet gauw gaat, jaag ik u weg. Eh spada! Oessir itoe nennek. (Hé, jaag die oude vrouw eens weg)
“Dacht ge dat ik langer wilde blijven in dit rampzalig verblijf, dat cholera en ziekten en dood het mogen verdelgen; de tot in de ziel gegriefde moeder trekt hare zegen er van af!
Met dezen theatralen afscheidsgroet spoedde mevrouw Meijer zich naar hare woning, liet een karretje halen en reed in de grootste opgewondenheid naar Rika, waar zij onder het mededeelen van al haar wedervaardigheden en grieven zich nog eens aan de hevigste drift overgaf.
“Bedaar ma, de eenige troost voor u in ’t geheele geval is, dat Marie, nu zij zoo dom is geweest u weg te stuuren, haar eigen ongeluk en verdriet in huis gehaald heeft. Ge zult eens zien hoe gauw ze met hangende pootjes bij u terugkomt.”
“Rik, ik ga daar nooit meer naar toe, liever laat ik mij in stukjes hakken. Ik zal tevreden zijn met een matje om te slapen en nassie kring (Droge rijst) maar houd mij bij u.”
“Ik heb reeds gezegd dat ge hier welkom zijt, daarbij heb ik zoo’n geval als dit, altijd wel voorzien en reeds een kamer voor u in orde gebracht.”
“Goed, ik wist wel dat ik mij in u niet bedriegen zou, o Allah! Dat andere kind, dat de pest haar achterhale!”Toen weer bedaard vervolgde zij, “ik zal u niet tot last zijn en mijn djoealans (Koopzaak) hier voortzetten. Ik heb een spaarpenning, daar koop ik voldoende keukengereedschap voor en zal hier achter een dapor (Keuken) laten bouwen van kadjangs, daarbij uw erf is nogal groot, maar erg verwaarloosd, daar is meer voordeel van te trekken.”
Rika lachte. “Denkt ge dat ik geld heb om er een toekan kebon op na te houden en er bloemperken in te brengen? Het eenige onderhoud bestaat hierin, dat ik nu en dan een toean rompoet (Grasverkooper) permissie geef het lange gras af te snijden.”
“Voor niets, waarom verkoopt ge het niet?” kon de practische oudere dame niet nalaten uit te roepen.
Rika’s voorspelling kam uit. Al spoedig was er na het vertrek der oude vrouw het huishouden in het groote huis in de war. De heer Greenfield bemerkte, de wenkbrouwen fronsende, de ongeregelde bediening. “Waarom zorgt die vrouw daar niet beter voor,” vroeg hij ontevreden.
Marie vertelde hem het geheele geval.
“Ge hadt beter gedaan haar niet weg te sturen, wie weet hoeveel kwaad dat nu nog doet. Als ik u was zou ik haar weer bij mij nemen, maar dan wat meer op haar letten.”
Marie’s drift was reeds lang bekoeld en ze vond dat haar huishoudelijk belang meebracht om weer goede vrienden met haar moeder te worden. Dientengevolge liet zij een week na haar moeders vertrek op een vroegen ochtend een dichtgesloten huurpalankijn voorkomen – Marie’s schitterende equipage zou te veel opzien baren in die achterbuurt – en reed naar hare familie te Kroepoet, wel begrijpende dat de vluchtelinge daar zou zijn. Haar verschijning bracht echter de oude dame weer zoozeer buiten zichzelve van drift, dat zij ongevoelig bleef voor al Marie’s smeekingen en voordeelige aanbiedingen.
“Gaat heen, gij ontaarde dochter,” zeide zij zich eensklaps bedienende van deftige Hollandsche woorden, “daar zetelt slechts leugen in uw mond, uw hart en uw woorden zijn valsch als slangen. Gij hebt uwe oude


vorige pagina | inhoud | volgende pagina