doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Marguerite: 'Door duisternis tot licht. Indische novelle'.
In: Bataviaasch Nieuwschblad, vrijdag 10 december 1897


[26:]

III.

De stand van mijn man bracht mee, dat wij dien moesten ophouden.
Wij bezochten gezelschappen en hadden onze ontvang avonden en dat alles bracht zijn uitgaven mee, ofschoon ik zeer veel aan mijn toiletten uitspaarde, doordat ik ze met eigen hand vervaardigde; maar de hoogstnoodzakelijke uitgaven kon ik toch onmogelijk vermijden.
Die levenswijze zou onze krachten niet te boven gegaan zijn, wanneer wij die, in onze tegenwoordige omstandigheden, ontzettend zware premie onzer levensverzekering niet van ons tractement hadden moeten afzonderen.
Doch nu wjj dat bijna vier jaren volgehouden hadden, moesten wij ook volhouden tot het einde toe.
Fred wilde geen vermindering vragen, nu de tijd bijna verstreken was. Hij wilde zich liever alle opofferingen getroosten, wijl hij ;de hoop koesterde me de hem uit te keeren som en zijn moederlijk erfdeel, dat hij tot dusverre nog niet aan had willen spreken, uit vrees, dat hij er dan te veel van zou gebruiken, als compagnon in de zaak opgenomen te worden.
Het was zeker een goed streven, maar toch vond ik 't ontzettend hard van hem, dat hij bijna alles, op 't voor al onze uitgaven nauwelijks toereikende huishoudgeld, wilde uitsparen.
Als wij onzen stand dan toch zoo moesten ophouden, vond ik 't zeer natuurlijk, dat wij in de eerste plaats ons goed voedden en kleedden.
Daarom kwamen er in mijn huishoudboekje dikwijls posten voor, die naar zijn meening onnoodig waren.
Dat gaf dikwijls aanleiding tot onaangenaamheden en hoe ongaarne ook, zag ik mij eindelijk verplicht in 't geheim aan mijn ouders te schrijven of zij mij eenjaar lang in hoogstnoodzakelijke uitgaven tegemoet wilden komen, en per omgaande ontving ik zonder navraag een vrij aanzienlijke som.
Het was geld, dat reeds lang op mij gewacht had, schreef Papa.
Hij had het alle maanden trouw opzij gelegd, de toelage, die wij steeds gehad hadden tot aan dien noodlottigen dag; hij had het wel voorzien, dat ik er eenmaal toch om vragen zou en was blij er mij nu in eens mee te kunnen helpen.
Ik liep er er een flink ttandje voor op van Fred, maar dat deerde mij nu niet meer.
Ik had mijn doel bereikt, om op die wijze de elke maand terugkeerende onaangenaamheden te vermijden en zoo gingen de dagen tamelijk eentonig, maar toch in volmaakte rust voorbij.
Wanneer ik geen hoogere eischen aan 't huwelijk gesteld had, zoude ik er bijna toe hebben kannen komen, mij gelukkig te gevoelen.
Mijn smart over mijn teleurstellingen was verdoofd; in het laatste halfjaar was mijn eénig verlangen slechts geweest de opheffing van onze finantieele lasten te mogen beleven, opdat ik ten minste rust zou hebhen, rast en vrede; geluk was thans slechts bijzaak geworden.
Dat verlangen ten uitvoer te brengen, was mij tamelijk goed gelukt, ook vond ik zeer veel troost en afleiding in mijn lievelingen en verder verdiepte ik mij maar niet al te zeer in den gang van zaken.
Weldra werd ik echter uit de mij zoo lief geworden rust wakker geschud door een aan Fred en mij gerichten brief van Paul, waarin hij ons kennis gaf van 't plotseling overlijden zijner vrouw en in verband daarmede een beroep deed op de oude vriendschap, ter wille van zijn moederloos geworden kleine meid.
Daar zijn werkzaamheden hem zoo dikwijls en soms weken achtereen van huis riepen en hij de arme kleine dan aan den zorg van bedienden zou moeten overlaten zag hij zich, hoe hard 't hem ook viel, in 't belang van 't kind, wel genoodzaakt naar een beter onderkomen voor zijn lieveling uit te zien.
Hij wist niemand, wien hij 't kind liever en met geruster hart toevertrouwen zou dan ons, schreef hij.
Hij hoopte, dat wij hem dezen liefdedienst wel bewijzen wilden.
Natuurlijk schreven wij hem dadelijk terug, dat 't lieve kleintje ons van harte welkom zoude zijn en wij al 't mogelijke zouden doen, om haar 't gemis van haar ouders zoo weinig mogelijk te doen gevoelen.
Ongeveer een maand later kreeg Paul verlof en kwam hij zijn dochtertje zelf brengen.
De kleine Nelly was een lief, volgzaam, erg aanhalig kindje; wij konden 't dus spoedig heel goed samen vinden.
Zij was vijf jaar en dus een jaartje ouder dan mijn kleine boy en speelde weldra 't moedertje over hem, wat ome jongen zich gaarne liet welgevallen.
Paul zag even als wij met veel genoegen, dat zijn meiske zich zoo goed thuisgevoelde.
Ik was gewend mijn kleintjes zelf te bed te brengen, ik deed het dus ook met haar.
Ik leerde haar de handjes vouwen en een kort, eenvoudig kindergebedje opzeggen, 't zelfde, dat ik als klein meisje ook altijd had gebeden.
Het kind zeide mij getrouw alles na en kon 't binnen weinige dagen geheel alleen.
Ééns toen ze in haar bedje lag en door 't nog geopende venster de sterren aan den hemel zag fonkelen, -vroeg ze met haar kleine vingertjes naar 't uitspansel -wijzend "tante, is dat nu de hemel, waar al die mooie lichtjes zijn? Is mijn lieve Mama daar?
Om haar gerusttestel'en antwoordde ik toen: Ja lieveling, daar is je Maatje en daar woet ze altijd of Nellytje zoet is of stout, dus weet ze 't ook hoe lief je nu bent. Ga nu maar slapen en doe ie oogjes stijf dicht, zeide ik haar goeden nacht kussend: (Wordt Vervolgd.)


vorige pagina | inhoud | volgende pagina