doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Cornélie Noordwal: Intra Nos
Utrecht: A.W. Bruna & Zoon Uitgevers-Mij, zevende dr. en luxe-editie, 1925
(eerste dr. 1902)


[204:]

Veertiende hoofdstuk
Gasten voor Phil en ondervindingen voor Jessie

Augustus en september brandden, regenden, loomden over Den Haag en Scheveningen, en de Wybrandtsen hadden her zeer druk met toebe

[205:]

reidselen voor Jessie's huwelijk, en het ontvangen der talrijke gasten, die uit alle oorden des lands kwamen opdagen, „'t Is ontzettend, zooals ze zich voor ons interesseeren," beweerde Phj], die dit den vreeselijksten tijd vond welken zij nog ooit had doorleefd. Want men eischte van haar dat zij Antje den gansenen dag hielp in het huishouden, kookte voor geregeld drie, vier personen meer dan hun gezin van zusters en broers, en blijmoedig optrok naar het zonnig Schevcningen, met familieleden die nimmer de residentie en omstreken hadden bezichtigd, „en nu van de gelegenheid gebruik maakten om dit goedkoop te doen," volgens Phil. „In onze moeielijkheden hebben ze zich nooit aan ons gelegen laten liggen, maar nu Jessie, door haar trouwen met een officier, ons soi-disant weer wat releveert, komen ze op ons toeschieten als gulzige snoeken uit een sloot. En Rieg, stakkert, kan 't allemaal betalen!" snibde zij klagend tot Ro, als zij met gebraden gezicht en cotelettegeur in haar neus, opholde uit de keuken naar haar kamer, om zich te kleeden, ten einde aan tafel te verschijnen in haar beste japon, waarvan de boord haar te nauw was, en haar altijd een idee gaf van „hoe een gehangen mensch zich aan de galg moest voelen." „Je moest eens zien, Ro, de slagersrekening. Ik durf 'm Rieg bijna niet geven."
„Kom, ze blijven toch niet eeuwig. Jij pruttelt nu ook altijd." En Ro kleedde zich keurig-eenvoudig met haar gewone blijmoedige tevredenheid. Ro had zich goed geamuseerd te Vlissingen; haar zenuwen, die trouwens altijd uitstekend in orde waren, laten stalen door stoere zeelucht; Ro vond zich nu bij machte in den Haag eenige oude ooms, vragerige tantes, be-moei-allerige nichten en studeerende neven op beminnelijke wijze te woord te staan. Phil verklaarde zich dankbaar dat de haagsche tak der familie Wybrandts nog zulk een beminnelijk lid opleverde, want zij zelve was zeer dikwijls knorrig, of fel uit haar humeur. Vooral wanneer zij te luis teren had naar raadgevingen betreffende de huishouding, die haar tot in de keuken toe vervolgden uit de zich langzaam bewegende monden der dames op leeftijd; welke allen het gezin, dat zich moest overgeven aan de leiding van iemand zoo jong en onbedreven als Phil, ten diepste beklaagden. Wanneer Phil, één oogenblikje zorgeloos, verzonken in de beschou wing van een oom die aan zenuwtrekking in zijn linkerwang leed, zat te ontbijten, kweelde haar eensklaps ouwelijk-lief in de ooren: „En als je nu een ossenhaas met saus zou moeten klaarmaken, poesje, hoe zou je dat doen? Met saus a la Béarnaise, hè?"
„Dat ben ik van plan nooit te doen!" barstte Phil los, „want niemand hier kan sausen uitstaan, ja?"
„Dat verwondert me wel van jullie Indischen!" zei tante met hol-landsche meerderheid. „Jullie zwemt in de sausen."
Een anderen dag was het: „Mina, heb jij dat recept nog van die taart

[206:]

die we toen bij nicht hebben gegeten? Geef Phïlippientje dat nou's, dan brengt ze nog eens wat degelijks voor den dag." Mina haalde het uit haar portemonnaie.
„Doe ik dat nu dan niet?" vroeg Phil, wreed gerukt uit den zoeten waan dat het, ondanks de raadgevingen, heel lekker gesmaakt had iederen dag. „Ze aten nota bene als wolven."
„Dat peggen we niet, liefje, maar als je dat recept nu eens stilletjes wou nalezen, zoo in je eentje in de keuken. Toe poesje, doe dat nou eens."
„Geeft u maar hier!" Phil greep met nijdige vingers een oud papiertje dat haar werd toegereikt.
„Laat me eens kijken," riep Grace.... „Wat staat daar allemaal?....
Wat is dat gek geschreven hebt u dat geschreven, tante Mina? Eulalia, zie jij 's of je 't kan lezen." Eulalia, denkend dat haar iets te eten werd gegeven, gaf, tot vreugde van Grace, een knauw in het recept: „O tante, Eulalia vindt 't al zóó lekker.... Zij eet 't al op voor ons. Heerlijk, nou hoeven wij 't niet te eten." Grace had dit half uit moedwil, half uit speelschheid gedaan.
De tantes zaten versteld over zulk een gebrek aan opvoeding. „Wat een kind, wat een kind, een duiveltje, bepaald een duiveltje! Een familie­ recept, een oud familie-recept, te geven aan de kat..."
Richard werd er over aangesproken, en dien middag dineerde Grace in de keuken bij Antje, die even verontwaardigd was over de stoornissen in het vreedzaam huiselijk leven, als Grace en Phil. „Had juffra Jessie der trouwen nog maar 'n jaar uitgesteld," klaagde Antje.
Het medelijden der tantes en nichten met haar onkunde wondde Phils eigenwaarde zeer, in spijt van den langzamen glimlach van ,Riegard', het schateren van Con, en de onverstoorbaarheid van Ro. En zoo kwam Phil er toe een raad te volgen van Antje, die beweerde 'simpel en suf' te worden, nu Juffra Jessie uit huis ging, welke geesteshoedanigheden haar, volgens Con, zoover hij zich. kon herinneren, altijd in hooge mate hadden geken­ merkt, „Juffra Pil, sprak het uit Antje's mond, met teekenen van leven, nadat zij stokstijf, rond en breed in haar witte schort, een tien-minuten­ lange verhandeling over het afkoken van snijboonen, welke men dien dag niet at, mede had staan aanhooren: „al binne dat nou mevrawe, ik geloof dat ik ook nog ken koke. Al ken ü niet koke, ik ken 't wél. Meheer zellef is tot nog toe altijd tevreje gewees, en as 't ze niet-en bevalt, late ze dan wegblèvè. As ze nou nóg eris komme, sluit ik de deur regulier af. Dat heb ik van me jonge, die zei: ,dóét 't,' en ik zei 't doen ook. Meheer zellef en juffra Jessie hebbe nooit geklaagd, en 't is tegeswoordig den heelen tijd dan dit, dan dat.... wat zegt ü dervan? Ik word der tuureluurs van."
Phils oogen schitterden; haar mond joligde vaneen; zij stak Antje de hand toe: „Antje, mijn kind, gij zij t een der wakkerste onderdanen van

[207:]

koningin Wilhelmina, en gij zult het ver brengen. Antje, gij zijt een der voortreffelijkste knapen. Du bist wirklich ein samenzweerder een bode
des hemels...." Antje begreep niet te veel van deze speech, maar zij veegde toch drie vingers af aan haar blauwe schort onder haar witte, eer zij ze de juffrouw toestak.
Toen nu tien minuten later een raadgevende nicht naar den pot wilde komen zien, ging Antje tegen de deur staan, met ver achteruitgebogen lichaam, „als de boksende kangoeroe," zei Phil, en riep Phil zelf: „Er is hier niemand thuis, nicht! Verzoeke van visites van rouwbeklag verschoond te blijven. U eet van middag heusch goed."
Daar deze nicht goedig en dik was, hoorden Antje en Phil haar lachen; een kort, dik, vet, schuddend lachje, van een kort, dik, vet, schuddend mensch. En na nicht kwam er niemand meer, want Phil plakte met behulp van Antje een groot papier op de deur, waarop men in bonkige letters las: „Dit kantoor is gesloten. Phil Wybrandts, meester in de rechten." Richard moest toch even glimlachen, toen hij er voorbijging. Hij begreep niet hoe Phil aan de zotte invallen kwam. „Maar met al haar fouten was ze een goed kind, ze toonde te willen, in elk geval."
Toen zij van de dames af was, kreeg Phil het te kwaad met de oude heeren, die Richard en Con trakteerden op denkbeeldige proefjes van aan­ gebrande soep en te zoute aardappelen, en Phil brachten tot een gemoeds­ toestand, waarin zij gaarne het tafellaken, met alles wat er op was, in elkaar had gefrommeld en in een bal gegooid naar de eerwaardige glimmende kale kruinen, en ruige grijze hoofden.
„Rieg, ik doe heusch mijn best, laat je nu niet opstoken door al die nare vreemde menschen tegen mij, je bloedeïgen zuster!" snikte zij eens, nadat een tante uit Zwolle een vinnig zoetsappige opmerking gemaakt had over een te zure pruimenvlade, terwijl de gelaatstrekken van tante's dochter en zoon zich verwrongen hadden, „als gingen zij dadelijk sterven aan vergiftiging/' beweerde Con, die bedaard met den suikerstrooier zijn portie besneeuwde.
„Je ziet nu, Philippien!" zei Richard, beschermend zijn hand op liaar schouder leggend, „dat een huishouding doen, geen kinderspel is...."
„Vooral als er zulke draken bij je komen logeeren!" haperde Phil, tus-schen twee snikken door. „Ik heb maar steeds van ze te lijden.... en ik kan hier maar alles doen. Net 'n meid."
„Kom, kom, Philippien, je moet niet zoo kinderachtig zijn. Tot nog toe heb je niets gedaan dan geluierd, nu werk je eens een beetje, heel gesond voor je."
„Was Iris maar hier, m'n eenige troost...."
„Ik ben blij dat ze niet hier is. Een heel best meisje, kijk me maar niet zoo driftig aan, maar zij en haar weelderige omgeving brengen je tot ge

[208:]

-

dachten die je niet moet hebben. Je kunt nu je aandacht bepalen bij je werk."
„Ja, en sloven voor al de Wybrandtsen, hatelijke nare menschen uit Amsterdam en Zwolle en Utrecht, waar jij van houd, alleen omdat zij jouw naam dragen. Iris is jou en al de Wybrandtsen waard, begrijp je?"
„Philippien, ik raad je aan je kalm te houden, want als ik kwaad word, je wéét 't...."
„Ja, tiran," mompelde Phil, hard wegloopend, en aanbonzend tegen Olivier, die even bij Ricbard kwam oploopen.
„Heüa freule, zóó Wybrandts...."
Een kwartiertje daarna, voegde Olivier zich in den tuin bij Phil, die nu thee moest gaan schenken in 't prieeltje.
„Adieu, zeg," zei Olivier, „groet de rest voor me. Aan zoo'n gemeente waag ik me niet."
„Ga je al weg?"
„Ja, je zit toch nog in de logé's."
„Of we. Je hoeft niet te denken dat er van mijn schrijven wat komen kan vóór Jessie's trouwen. Geen denken aan."
„Dat hóeft ook niet. Je neemt maar waar. Je hebt met al die logé's een prachtig opmerkingsveld. Je observatievermogen moet steeds in wer­ king zijn. Denk je dat een auteur alleen maar bezig is als hij schrijft?"
„Nee, ik weet dat een auteur ook bezig kan zijn in de keuken."
„Pruttel nu maar niet, meisje. Zoo groeit er nog eens een flinke huis­ vrouw uit je, en dat vind ik héél best."
„Jij," smaalde Phil, „ja, jij hebt er veel mee te maken."
„Dat weet je niet, nu adieu. Wat hoor ik Ro daar vroolijk beweren...."
„O, Ro is in haar knollentuin, die hoeft niet te wroeten als ik."
„Jessie nog in Amsterdam?"
„Ja, voor haar huis. Ze komt terug met mevrouw Kern, nóg een be­
zoeking voor me "
„En hoe gaat 't met je vriendin Iris?...."
„O best; ze schrijft zulke heerlijke lieve brieven, uit Zwitserland; ze voelt zich gelukkig al een boel beter, de zuivere lucht doet haar goed. Ik heb al zulke mooie photographieën van haar, en Grace zooveel prent-kaarten. Een snoes is ze, hè? En als ik denk dat ik nou in Lausanna bij haar kon zitten op 't balkon van een verrukkelijk hotel...." tranen drongen Phil in de oogen.
„Kom, kom, je bent hier toch nuttiger."
„O ja, jij bent 'n man, dus ook al zoo'n hatelijke egoïst. Enfin, ik wil me niet kwaad maken. Kijk, daar staan ze op uit de serre."
„Ik maak beenen. Roep me maar als je me noodig hebt voor je schrijven."

[209:]

„Zal ik 't ooit nog kunnen doen?"
„O sekuur. Nou, dag kind, houd je maar goed." Hij drukte haar stevig de hand.
„Wat bezielt Olivier?" dacht Phü, „hij heeft me nog nooit kind ge­ noemd. Wat klinkt dat raar... . zoo...."
Mevrouw Kern eischte Jessie onophoudelijk te Amsterdam. En Jessie zag zich ook genoodzaakt tot het maken van dagreisjes naar andere plaatsen met Gual, om voorgesteld te worden aan families haar onbekend. Haar zacht persoontje werd overal met luide blijken van ingenomenheid verwelkomd; men was aanhoudend in een kring om haar heen; en men roemde haar zeer tegenover Gual, die heel trotsch werd op zijn meisje en verliefder dan ooit; want de lof van anderen verhoogde Jessïe's waarde machtig in zijn oogen. Jessie werd er wel eens een beetje wee van, als men na het hooren van een eenvoudig walsje, hetwelk men haar gedwon­ gen had voor te dragen, uitweidde over haar gevoelvol spel, terwijl een of andere vrouwelijke bloedverwant Gual als een kind bij de hand nam, hem in een hoek trok en daar vleide met schuinen blik naar haar, Jessie's richting: „Je krijgt een snoeperig vrouwtje, hoor Gual!" „Wat een aller-charmantst meisje!" „Wat een beeldje, Gual!" „Zoo'n interessant kopje." „Nee maar, zoo'n vreemd-interessant kopje." Jessie Wybrandts had nooit iets extra's kunnen vinden in Jessie Wybrandts, en zij stond er van ver­ stomd, dat al die menschen, haar voor 't eerst ziende, dadelijk een aantal verdiensten, talenten en bekoorlijkheden in en aan haar ontdekten, alléén orndat zij ging trouwen met hun neef of achterneef Gual Kern. Het scheen of een huwelijk een jonge dame even er vóór tot tijdelijke godin verhief. En Gual: „Ja, wat zeggen jullie van haar, hè? Ze willen haar thuis ook maar niet laten gaan: ze is er alles." En al die tantes, vrien­ dinnen, neven, bijna in koor: „'t Is te begrijpen*." Jessie's conversatie­ vermogen dat zich, uit hoofde van haar beschroomdheid, tegenover vreemden toch al zeer weinig kon uiten, stokte dan geheel, als een uur­ werk dat van slag af gaat. Pijnlijk glimlachend, vond zij zich zelfs niet bij machte de vereischte lieve banaliteiten te uiten. Eenige, zonder het te willen, overhoorde gesprekjes van dames onder elkaar, met schuldig op­ kijken van haastig gefluister, luid genoeg om verstaan te worden door plots verschijnende Jessie in gang of eetkamer, droegen daar 't hunne toe bij :
„Lieve oogen, hè?" „Ja, 't kopje is lief, maar 't figuur nou
dat laat veel te wenschen over.'

[210:]

„Ik vind 't nou zoo geen partij voor Gual, jij wel?" „Familie en déca- dence, sans le sou " „Ja, maar, dat moet je niet zeggen, de familie
is als familie excellent."
„Bah!" dacht Jessie „Rieg moest 't hooren." Die zelfde tantes-en-nichtenlof maakte dat Gual, zeer tegen Jessie's zin, halve magazijnen voor haar leeg wilde koopen, in één roekelooze opgewondenheid. „Jullie moet er maar op rekenen, meisjes!" schreef hij Ro en Phil, „dat mijn vrouw nu voor goed in Amsterdam blijft, niemand thuis krijgt haar meer te zien; we trouwen wel in Amsterdam. Mijn familie beschouwt haar als een kostbaar juweel."
Phil en Con stelden samen een brief aan hem op, „waarin zij bewezen met onweerlegbare bewijzen", dat van gansch Holland Amsterdam alleen de stad was waar een huwelijk wettig kon worden verklaard. Amsterdam was de stad voor alles, dus ook voor 't voltrekken van huwelijken. Verder boden zij aan: alle haagsche vrienden, en die van elders, voor 't aankoopen van trouwcadeaux naar Amsterdam te zenden, daar zij in doode-lijken angst verkeerden dat onamsterdamsche presenten zouden worden teruggezonden, en zij de menschen, die met al dat fraais geen weg moes ten weten, een openbare veiling wilden besparen.
Beurtelings een zin met tusschen twee haakjes (Con) of (Phil) maakte de uitwerking allerzotst. Kern las deze persiflage op zijn moeders stok­ paardje hardop aan de theetafel voor, tot verlegenheid van Jessie, die haar handen zat te knijpen. Mevrouw Kern beschouwde echter deze aar­ digheden geheel geadresseerd aan haar zoon; zij bezat te veel eigenwaan om te veronderstellen dat iemand het wagen zou den spot met haar te drijven. Daar zij op niet den minsten zin voor het koddige boogde, glim­ lachte zij, als verveeld, slechts flauwtjes vluchtig met een „hm." „Ik ben blij, kindlief, dat jij bedaard bent, die twee jongste zusjes van je lijken me soms ontembaar toe...."
„Och mevrouw, maar ze zijn toch zóó goed!" Jessie klaagde het zacht.
„Lieve kind, noem me toch eens eindelijk mama, anders zeg je nog mevrouw als je getrouwd bent."
,t Zal wel wennen!" zei Kern met een kus. Jessie geneerde zich in mevrouws huis altijd zéér als Gual zulke teedere buien had waar mevrouw bij was, en haar zoo verliefd in de oogen keek. „Vent, doe dat toch niet, waar je mama bij is, ik voel me zoo gegeneerd. We kunnen toch wel prettig en verstandig zitten praten, zonder nu altijd zóó te kijken. Ik voel me er veel te oud voor. Goed voor bakvisschen...." zeide zij hem den volgenden dag.
„Verstandig!" smaalde Gual. „De saaie heeft jullie allemaal die gekke idees ingeprent. Enfin, ik zal 't je wel afleeren...."
„Vent, word nu niet boos!" smeekte Jessie, „je beoordeelt Rieg heele-

[211:]

maal verkeerd; jij kunt heusch zijn waarde niet op prijs stellen zooals wij, voor wie hij alles geweest is en nog is."
„Och kom, je houd meer van den saaie dan van mij, je eigen man. Hoe kan je, hè?" En Gual wandelde naar den spiegel, en bekeek zijn knappe forsche soldatengestalte; een echte Germaan, blond, breed, blauw-oogig. Hij draaide zijn snorren neuswaarts.
„Zie ik er niet duitsch uit, Jess?"
„Nee vent, echt hollandsch. Denk je dat Rieg ooit zoo voor den spiegel zeurt als jij? En hij is toch een knappe jongen."
„Een echt indisch type is hij, met je verlof."
„Dat ben ik ook, dan had je mij niet moeten nemen, hè?"
„O, ik houd er wel van. En jij bent mijn schat. Kom, ga je manteltje aantrekken, dan mag je met je mannetje en mama mee meubels kiezen."
„Och kom, mag ik, ouwe vrouw, dat? Rieg Rieg... Ik wil zeggen
Gual, doe me nu een pleizier en noem Rieg nu niet meer, ,de saaie', want je kwetst me er mee. Hij heeft meer in zijn leven gewerkt dan jij ooit gedaan hebt, en dat heeft hem stil en ernstig gemaakt. Hij is trouwens altijd degelijk geweest."
„Ja, en ik ben een leeglooper, een kwajongen."
„Dag Gual!" zei Jessie, „als ik beneden kom met mijn hoed en mantel, hoop ik dat je een andere bui hebt."
Hij lachte, en liet haar gaan. Ze was zoo gemakkelijk niet, die zachte duif. Onder dat doezige school veel onverzettelijkheid. Nu zooveel te beter en te pikanter. Ze bezat veel tact, Jess, oneindig veel tact. Ze wist hem te boeien, ondanks haar gewoonheid. Hij dacht nu niet meer aan andere meisjes.
Toen zij beneden kwam, haar beste hoedje op, was hij weer in één extase, en omgreep haar met beide armen.
„Gual, Gual, je mama."
Mevrouw Kern, lang, mager, statig, van top tot teen in de zijde, ruischte binnen, de groote sombere zitkamer in, wier muren een tentoon­ stelling boden van plechtige oude familieportretten met vadermoorders en wonderlijke mutsen. Mevrouw Kern deed tactvol of zij van die „vrije­ rijtjes" niets bespeurde. Het deed haar genoegen te zien dat Jessie zoo ingetogen en verstandig was, en geen aanleiding gaf tot aanmerkingen. Gual was man, en een verliefden man kon je niets kwalijk nemen; die stelde zich ook niet zoo licht gek aan.
Mevrouw Kern had voor het jonge paar, met hun goedkeuring, een aardig huisje gehuurd in de nabijheid van het Vondelpark, en Jessie was blij dat zij haar frissche kade tenminste niet zou hebben te verwisselen tegen een benauwde stadsgracht, of een straat waar de huizen, als achter­ volgde menschen, zich schuchter tegen elkaar aandrukten. Zij bewonderde

[212:]

de grootschneid van Amsterdam, maar het mooie dat Phil, Iris en Olivier zagen in de kleurige, ongeregelde gevels, kon zij niet ontdekken. Zij begreep maar niet dat Phil het begin van den Amstel zoo schilderachtig vond, en beschouwde het als iets excentrieks en gewüds van Phil, wanneer zij dweepte met die schuiten en booten, welke haar, Jessie, slordig en onoogelijk toeleken. Jessie gaf Phil toe, maar vatte toch niet veel van Phils aangeboren artisticiteit.
Mevrouw Kern gaf haar eenigen ontzienen en verwenden zoon een koste lijk huwelijkscadeau: zij meubileerde het gansche huis. En Phil beweerde ondankbaar dat mevrouw dit deed, opdat alleen amsterdamsche stoffeerders de woning zouden aanraken. Jessie moest wel lachen om die ondeu-gendheden van Phil, maar schreef toch zooveel liefs en goeds naar huis over haar schoonmoeder, dat Phil Con uit eigen beweging verbood Jessie langer te plagen met „Amsterdam", gelijk hij mevrouw Kern trouw noemde. Mevrouw Kern viel niet in Gons smaak, en het was ergerlijk van hem te lezen: „Mijn complimenten niet aan Amsterdam."
Jessie en Kern keken feitelijk toe, verdiept in hun geluk, terwijl me­vrouw stoelen en tafels koos. Wel vroeg zij den heelen tijd: „Kinderen, hoe vindt jullie dit? Agnes, wat denk je van dit patroon?" Maar haar keuze, welke zij Jessie opdrong als de beste, regelde alles. Een kiesche schroom weerhield Jessie ook veel te zeggen bij aankoopen die geschiedden uit andermans beurs, en daar mevrouw zich werkelijk op schoonheidszin kon beroemen, gaf Jessie zich als een klein meisje, lam-gedwee over. En het was haar alsof niet zij en hij die haar man werd, plaats zouden nemen op die causeuse, op die mooie stoeltjes, doch mevrouw Kern, enkel en alleen. „Kindlief, ik heb zooveel jonge meisjes een huishoudentje bezorgd, ze nemen me altijd mee. Ze weten wel dat mevrouw Kern smaak heeft."
In groote meubelmagazijnen bleek mevrouw Kern in haar glorie; het winkelpersoneel boog voor haar, als rijke klant, in diep ontzag; zeker
van veel percentengeld. En Jessie werd er wel eens verlegen mee, zooals men mevrouw, haar, en Gual met stoelen achternasjouwde. Jessie bedankte altijd vriendelijk, maar mevrouw Kern nam plaats op die stoelen, als hadden zij daar reeds gereed gestaan. Haar koud oog straalde van voldoening over pluchen gordijnen, deventersche tapijten en stijlvolle meubeltjes. „Zie je, kindlief, je moet je maar geheel aan mij toevertrouwen, jij en Gual hebt geen oogen nu. Later zal je mama zoo dankbaar zijn, dat weet mama stellig. Luister nu: jullie salon terra-cotta-roze, Louis quinze; jullie zitkamer wijnrood; jullie eetkamer bruin leer en eikenhout, jouw boudoirtje, o ja zeker kind, je móét een boudoirtje hebben om vertrouwde vriendinnen te ontvangen, ik zou me wel schamen als mijn zoons vrouw geen boudoirtje had, jouw boudoirtje dus theerozenkleur en wit verlakt beeldig hè?"

[213:]

„Theerozenkleur en wit verlakt!" stamelde Jessie, die de wilde laarsjes van „jongens" als Grace en Phil daar al zag stappen door terra-cotta-roze-Louis-quinze, en theerozenkleur-en-wit-verlakt, verlicht door groote staande lampen op gulden voet, zooals mevrouw aankocht.
„Je zal zien, in den Haag zullen je kennissen verbluft staan met open mond!" zegevierde mevrouw Kern, met haar glacé handschoenhand be­ schermend op Jessie's pols kloppend.
„Ja, dat denk ik ook wel, mevrouw.... ik vind 't ook allerliefst van u."
De bediende was even heen, om een rol wit-en-roze tapijt voor het boudoirtje in kwestie.
„Lieve kind, zeg toch mama!" gebood mevrouw in scherp gefluister. „'t Wordt nu toch tijd, vind je zelf niet?" Mevrouw Kern voelde zich een weinig beleedigd.
„Ja mevrouw.... mama...," zeide Jessie. En Jessie, rondkijkend in deze meubelgalerij met hoog gestapelde kolommuren van bonte tapijt-rollen, terwijl winkelheeren koudbeleefd toestaarden uit de verte, wachtend dat hun tegenwoordigheid werd vereischt — Jessie had moeite het geweldig beven harer lippen en het vocht dat haar over de oogappels sprong, te bedwingen. O, dat zij moest trouwen, dat er zulk een machtige verandering in haar leven ging plaats grijpen, en haar ouders er niets van wisten, dat haar moeder het niet wist.... haar goede lieve Indische moeder, met haar trouwe, trouwe, aanhankelijke hart; haar moeder, die om hunnentwille, om der kinderen wille gestorven was in het koude land. Och, wat konden Jessie die meubelen schelen, groen, roze, bruin, en die koude, stijve, brave, correcte mevrouw Kern, die haar overlaadde met allerlei overtolligs, waaraan zij ontwend was geraakt in de jaren van strijd en tegenspoed, doorgemaakt met broers en zusters. O, nog even in de warm klemmende armen van mama! Eén zoen van haar gullen moeder-mond, bron van staag wellende liefde voor haar kinderen. Eén koozend maleisch woordje, één blik uit die trouwe hartelijke donkere zonneoogen. O, kon zij nog maar eens spreken in dat zangrijk, een beetje vreemd onbeholpen Hollandsch, Jessie dierbaar door zijn lieve naïveteit. O, nog eens te streelen dat dikke zwarte haar met den metaalblauwigen weerschijn in een kroon boven het goede gele moedergezicht; haar, dat ongetaand, door alle verdriet heen, zijn duisteren luister behouden had tot het uur van smartelijk scheiden. Jessie had dat mooie zijdige haar altijd gekapt, niemand dan Jessie mocht 't doen, en wat was er nu van? Moeder! O, nog ééns....
Een hevig heimwee dikte op in Jessie's keel, snoerde bijeen haar hart, trok daaraan met sterke koorden van verlangen naar haar eenvoudig kade­ huisje; zónder theerozen-roze en wit verlakt, maar met Jessie's dierbaren: Rieg, Con, Phil, Ro, Grace, haar eigen vleesch en bloed. Zelfs Antje zou

[214:]

haar op het oogenblik goed hebben gedaan, want Antje had mama nog even gekend, en zelfs op Antje's houten poppengezicht onnoozelde een zekere afspiegeling van wat xij met hen had doorleefd in de meer dan drie jaren die zij bij hen had doorgebracht. Het keek aan: een stukje bekendheid; iets geweven heen door hun familieleven met draden van plompe, boersche trouw.
O zeker, mevrouw Kern was lief en goed, maar alles ter wille van Gual toch, wiens plechtanker Jessie ging worden. En mevrouw Kern was lief en goed, maar met zoo iets décorumachtigs en kils en vreemds en eigenaardiglijk afstootends, aanstellerig-wereldsch. Mevrouw Kerns doen leek tooneclmatig overlegd, niet spontaan, niet zooals de Wybrandtsen het gewend waren. Zij plachten zich geheel te geven, hadden malle-teere woordjes voor elkaar, gek voor een ander, wijs voor hen, maar ingegroeid in hun gewoonten. Er vloeide een warme gemeenschapsstroom door het heele huis altijd, in spijt van eenige minuten gekibbel nu en dan. Zelfs Riegs oor werd gestreeld door die dwaasheidjes, waaraan hij gewend was van kind af aan, en zijn strengheid verzette er zich vergeefs tegen. Iets ragfijns, iets ontzegbaars bond hen met een groote genegenheid voor elkaar tot familie, had hen altijd gebonden als een schoof om moeder heen; terwijl vader, kouder, er losjes buiten had gestaan. Voor die genegenheid stond een ander, zelfs Gual, al had zij, Jessie, hem nóg zoo lief, vreemd en nuchter. Zij hadden familieherinneringen, kinder- en jeugd- dito's uit Indië, familiespreekwoordjes, grapjes, plagerijtjes. Mevrouw Kern met dat lang-achtige, perkamenten gezicht, Jessie's moeder? Nooit.... zelfs geen tante, ondanks al haar goedheid. Jessie's gevoelig, half tropisch bloed huiverde aan tegen de noordelijke perkamenten wang van mevrouw Kern, die het noodig oordeelde haar een nacht- en morgenkus toe te dienen. Jessie's lichaam en ziel rilden licht terug, als slikten zij medicijn. O, zij vond zich ondankbaar. Mevrouw Kern was toch zoo best, braaf, onberis­ pelijk.... de schuld lag aan haar, Jessie. Maar toch, mevrouw Kerns moederliefde was als een tooneel-decoratief met groen en bloemen, geschil­ derd in fraaie nabootsing van de natuur, en Jessie wilde grijpen met volle handen in natuur, in de levende, sterke, steeds frisch ontluikende weelde eener moederliefde; liefde oneindig als de schepping zelve. O, als zij, Jessie, eens moeder was.... welk een zaligheid.... hoe zou zij haar kind geven
Maar een vizioen van mevrouw Kern deed haar wit worden... Het zou mevrouw Kern zijn, die haar vreugde zou deelen, niet mama, haar lief indisch moedertje, wier blijde hartestem niet zou opstijgen uit het donkere graf. De tranennevel verdikte voor Jessie's oogen zijn floers, in dit maga­ zijn waar huilen zondigen was tegen het decorum, en mevrouw Kern zich geen raad wist voor den bediende, die Jessie wel idioot moest vinden, en juist aankwam met het verlangde wit-en-zalmroze.

[215:]

„Jess, pop, wat wil je? Voel je je niet wel, schat? Kijk je mannetje eens aan. Wat heb je? wil je een glas water?"
„Ja Gual, of nee, och, ik voel me niet heel wel laat je mama maar verder kiezen, zij heeft zooveel meer smaak dan ik, zij weet alles beter .... o benauwd hier." Jessie stond op.
„'t Is die zeil- en tapijtlucht.... kom mee.... er is ook geen venti latie hier."
Kern boog zich naar mama, die door haar face a main aan schildpad­ met-gouden stang, bestudeerde het dessin van Jessie's boudoir-tapijtje, als een kenner een antieke schilderij met uitgewischte naamteekening.
Mevrouw Kern bedwong haar verontwaardiging over Jessie's ongepast verdwijnen, in een vriendelijk knikje. „We zullen elkaar dan wel thuis rejoigneeren."
Het was een kwelling voor Jessie: dat doorwandelen van die naar ver nis en matten riekende meubelzalen en galerijen, met heele op zicht inge richte slaapkamers en salons; het afdalen van al die verdiepinkjes trap­pen.... enfin, eindelijk waren ze toch door al die buigende menschen heen, buiten.... maar hóe buiten?.... in een drukke nauwe straat met gewoel, gegons, gebrom, rijtuigen met zweepen hoog in de lucht, en karren.
„Nou vrouwke, vertel me nou waar je om huilde...." drong Gual.
Jessie liet gewillig haar arm trekken door den zijnen, drong tegen hem aan; en het deed haar goed dat hij zich liefdevol tot haar boog; hij was toch heel verschillend van zijn mama...; maar anders had ze hem ook nooit liefgekregen.
„Och, niets, herinneringen, ik dacht aan mama, en 't steeg me naar de keel.... ik heb haar zoo noodig, juist nu.... ze was onze engel...."
„Maar poes, je hebt nu toch een nieuwe moeder, de mijne... "
„Ja, maar 't is niet 't zelfde, Gual...." fluisterde zij schor, „al is je moeder nog zoo lief voor me."
„En je hebt mij; 't zal wel wennen. Jess, ik vind je een beetje kinderachtig. Nee, ik vind je kolossaal kinderachtig."
„O Gual, dat is niet kinderachtig, iemand kan zestig jaar zijn en zoo voelen als ik. Jij hebt mama nooit gekend...."
„Je bent een lief, teergevoelig ding, en ik vind 't heel goed dat je zoo bent, maar nu moet je denken aan mij, je mannetje. Je moet mij nu gelukkig maken. Je mag aan niemand denken dan mij. En dat wil je toch wel hè, m'n Jeske? Je hebt nu een nieuw heilig doel.... dat ben ik."
Jessie glimlachte; de zin voor humor, die min of meer huisde in alle Wybrandtsen, werd even in haar opgewekt. Maar terstond daarna juichte het in haar op van geluk.... ja, het was een heilig doel; dat had zij zich immers reeds lang gezegd, ook dien bewusten avond in haar kade-huis­ kamer.

[216:]

Thuis vond Jessie een brief vol joligheid van Phil, en een met gemoedelijke grapjes van Ro, en een dicht bekrabbelde prentkaart van Grace, die zoo gaarne wilde dat Jessie nu maar weer thuis kwam.

„Lieve dot van een jess!
Hier heb je een kaart met de koeienslachterij, geloof ik, ergens achter of bij het spoor. Mooi, vind je niet? Eén stuiver maar; tegenwoordig zijn ze zoo goedkoop. Kom alsjeblieft thuis, want ik vind de ooms en tantes niets leuk meer. Er brengen een heeleboel niets mee voor me, vind je dat niet flauw? Doggie kan ze, geloof ik, niet uitstaan, ofschoon hij altijd vreeselijk beleefd is. Doggie bestelt een nieuw zwart pak voor je trouwen. Hij zal er wel snoezig uitzien, maar dat doet hij altijd. Krijg je nog veel van mevrouw Kern, wel leuk hè? Hè, ik wou dat ik ging trouwen en veel kreeg. Neef Marinus zegt dat als ik niets gezet had dan mijn naam, ik maar 'n één cents postzegel er op hoefde te plakken. Nu is het 2y2 cent, die neef Marinus gaf, omdat hij ze juist bij zich had. Aardig van hem, hè? Want al mijn zakgeld is op, en dat zei ik hem. Nu, dag dot van een Jess, zestig zoenen van
grace."

Jessie stopte dit karakteristiek geschrijf haastig in haar zak, maar Gual haalde het er uit en las het, en schaterde zoo hard, dat Jessie hartelijk dankbaar was voor de afwezigheid van zijn mama.
„Jullie bent toch een orgineele familie," kwam Kern tot besef. „Aan mama laten lezen?"
,OGual...." smeekte ze.
„Jij bent nog meer kind dan je kleine zus!" zei hij haar op zijn knie trekkend, „en ik vind 't heerlijk dat je mijn vrouw word. Zoo moeten vrouwen zijn; kinderen.... niet zoo nieuwerwetsch...."
„Ja, maar dat ben ik niet; ik ben geen kind " klankte zij er met tusschenpoozen uit, als hij haar lippen even vrijliet. „Je begrijpt me niet. O Gual! Je smoort me."
„Ja, dat ben je wel, je bent wel een kind. Daarom heb ik je genomen. Daarom charmeer je me, kind, kind, kleine meid, kind van zes jaar."
Zij voelde zich week, willoos; werkelijk als een droef kind, en liet zich zijn teederheden irfaar welgevallen. Hij werd toch haar man, iets zoo na als geen wezen ter wereld haar ooit geweest was of kon worden. En toen hij vroeg: „Hou je nu niets van me?" angstig zoekend op haar gezicht, legde ze beide haar handen tegen zijn wangen en kuste zijn voorhoofd lang en innig, gelijk altijd als een moedertje. „Dwaze jongen." „Duif."

[217:]

Hij lachte een lachje van teleurstelling en voldoening tegelijk. Nimmer nog had zij zijn lippen beroerd, maar hij zou het haar lééren.
„En je houd tóch van me, tóch hè?" wilde hij doorgronden, woelend in haar oogen met zijn blik. „Komiek kind. Heeft de saaie je gezegd dat je...."
Zij legde haar hand op zijn mond: „Pas óp...."
„Ik zal oppassen, anders heb ik kans dat ze op 't stadhuis nog ,neen' zegt." En hij lachte hartelijk om die grap, en schudde haar bij de schouders, en deed haar even zacht meel ach en.
Jessie ging vroeg naar boven. Zij verklaarde zich moe.
Op haar kamer, dien avond, bad Jessie in een langen bangen strijd, ten prooi aan een groote melancholie, die haar ziel hulde in een zwarten mantel. Hoe kwam het, waar was het zalige blijde licht waarin de toe komst had geschenen, eenige weken geleden? Toen twijfelde zij niet, was zij zeker. Het was nu de gedachte aan mama. Maar zij moest Gual toch gelukkig maken! Het was haar plicht! Zij had hem haar woord gegeven en haar woord moest zij gestand doen. En zij hield toch van Gual, ja, ja, o zij hield van hem. Zij zou het nooit overleven als hij ziek werd en van haar heenging; als hem iets overkwam. Haar man! Zij zou haar best doen zijn moeder dankbaar te wezen. Ieder ander meisje zou verrukt zijn over zulk een schoonmoeder, zulke meubelen! Nu waren die meubelen winkelstijf en vreemd, maar als zij en Kern nu eens eerst leven hadden gegeven aan die kamers.... een eigen aanzien.... Zij, Jessie, wilde niet alles meer zwaar voeien en zwart inzien. Het mooiste van het huwelijk was de geestesgemeenschap met den echtvriend.... en die was er toch.... zij had Gual toch boven alles lief! Zij wilde niets zien van het huwelijk dan het heilige en schoone. Het huwelijk was heilig, bleef heilig, al hadden de menschen bezoedeld met het slijk hunner afwijkingen den groenen mirte-krans. Het had voor de vrouw de prachtigste plichten die een wezen op aarde vermocht te volbrengen. God wilde dat zij, Agnes Wybrandts, vol­ bracht, getrouw volbracht die plichten, ten deele nog mysteriën voor haar, die haar zouden brengen tot besef van de roeping der vrouw, die haar bewustzijn zouden doen ontluiken, haar brengen tot rijpen staat van mensch.
„O moeder, help me.... nee, ik heb Gual lief! O ik ben dwaas, kinder­ achtig, te oud om zoo kinderachtig te doen.... o moeder.... een woord­ je nog van u...." Zij snikte straf, haar schouders schokkend, haar borst schokkend, haar gansche tengere lichaam schokkend.
Het schoot eensklaps in snelle meeuwenvlucht door haar denken, haar

[18:]

oogen zageri het geschroeid in roode letters: ,Gij zult uw ouders verlaten en uw man volgen.' Uw Man Meisjes verlieten hun huis, scheurden
zich los van alle banden om te volgen wien? Een vreemden man.... Een koude sloeg over Jessie, een leegte wijdde uit rondom haar. Was dat zoo?.... was Gual een vreemde man?.... Weg, weg afschuwelijke martelende gedachte!! Neen, neen, hij was 't niet, hij was haar Gual!! haar eigen lieve jongen, haar vent.... haar lieve beste vent.... Had­den zij haar thuis noodig? Rïeg, Con, Phil.... het kind Grace? Zij offerde hen op.... Hing er hun iets boven het hoofd en was zij er niet bij, wanneer de slag viel? Was zij niet de moeder van het gezin, na moeders dood?
O God vergeef me, als ik slecht doe met van ze weg te gaan... Wat moet ik doen, wat moét ik doen?.... zeg 't me toch.... Nu iemand om te vragen.... die haar kon raden.... Maar wat vragen, wat raden, hóe raden? Er was niets te vragen., en niets te raden.... zelfs geen moeder.... In zichzelf moest zij kracht vinden.... Alleen de macht die aardsche schepselen gevormd had als zij waren, naar ziel en lichaam, kon vatten in dier groote, zachte, balsemende handen haar arme, angstige trillende ziel en haar rustigen tot weldadigen vrede; kon in haar zien, haar doorgronden..,. En zij bad om moed en kracht: „Vader in den hemel, help me, help ze thuis...." Zij lag geknield nog voor haar bed, haar hoofd gedrukt in de zachte sprei. Zij zonk in slaap in die houding. Zij ontwaakte stijf, stram, maar kalm en gelukkig. Zij had ge­ droomd van mama, maar zóó duidelijk had zij haar gezien als in werke­ lijkheid. Het lieve gezicht had haar toegelachen, tastbaar, zoo duidelijk. Mama had gezegd: „Ritcbie." Maar dat was juist iets voor mama.... „Ritchie" te roepen, haar lieveling.
Een klopje op haar deur deed haar opschrikken; haar oogen trokken naar iets wits dat onder de deur werd geschoven, „Van huis," sprak het in haar.
Maar het bleek van Kern en luidde:
„Pop, ik ging je deur voorbij, toen ik iets van boven haalde en hoorde je huilen, en het maakte me zoo beroerd dat ik waarachtig wel bij mama had willen gaan zitten grienen. Mooi, voor een soldatenman, als je jongste zus zegt. Waarom maak je je nou zenuwachtig? Ben je niet veilig bij je mannetje, die alles voor je is en wordt en altijd blijven zal? Je bent mijn egoïstische duif, en je moet me meer vertrouwen en vertellen. Ga nou maar zoet slapen hoor, tot morgenochtend, duif. Ik ga naar mijn kamers."
Een glimlach verheerlijkte Jessie's gelaat, een felle vreugde doorgloeide

[219:]

haar, deed haar hart bonzen. „O ja, zij deed wél, haar mannetje zou zoo ongelukkig zijn zonder haar; hij had haar noodig! Bewees dit briefje het niet? En ze hield van hem: ze behoorde hem; haar gansche hart ging uit naar hem. Het was wel vervelend dat hij haar als kind wilde be­ schouwen, maar het was zijn groote liefde."
Kern stapte naar huis in den laten herfstavond, die hem omguurde. Hij was niet de man die acht sloeg op stads- of natuurschoon; en de wilde loodblauwe marmering der jagende luchten, die een bleeke maan mee­ voerden, een zwakke gevangene tusschen woeste horden, deed hem den­ ken: „Morgen regen, jammer."
„Heerlijk, zoo'n vrouw als Jess, heerlijk." Hij wreef zich vergenoegd de handen. Een uitzondering tegenwoordig, bepaald een uitzondering. Dat mooie rosse meisje, die vriendin van 'r, die Irene of hoe heette ze.... verdomd mooi.... maar verbazend pedant! ja zeker, verbazend pedant!.... maar Jess.... 'n schat.... Wel 'n goddelijk meisje.... die Irene, om dol op verliefd te raken.... eigenlijk wel 'n geluk dat hij 'r nooit meer dan twee keer gezien had, en ze zag er een beetje be­ trokken uit, laatst. Hè, als hij de saaie was.... Zoo'n onmogelijke vent als die saaie toch was! Neen, zoo'n sujet moest je nog vinden 't was verachtelijk lam, misselijk! Jongens, als dat meisje kwam logeeren bij Jess! Nee, dat moest ze rnaar niet doen.... en voor haarzelf ook 't meest.... Zoo'n meisje,..." En denkend over de familie die welhaast de zijne werd, verwonderde het Kern ontzettend dat noch Ro, noch Phil zich ooit op hem hadden verliefd. Hij was toch wél iemand.... Maar de Wybrandtjes waren allemaal vrouwen van koud temperament: wat stok-vischachtig. Daar kwam al voor de derde maal een vrouwmensch op hem af om hem aan te spreken.... „God schepsel, wat denk je wel?.. . ik ben haast 'n getrouwd man...." Hij lachte haar uit, liet haar staan, verbluft eerst; toen hem nascheldend in ruwe gemeene taal, in spijt van haar hoed met voile en keurige gestalte. Bij de gedachte dat hij, Kern, een getrouwd man wezenlijk en wérkelijk zou worden, proestte hij het uit. Drommels aardig, nee bliksems raar, zoo'n algeheele stilstand in je doen.... 'n zeilschip in windstilte. Hoe zou hij zich voelen? o zalig na­ tuurlijk met Jess, bij Jess zij heelemaal van hem.... dol, dol, dol was hij op 'r.... en toen hij 'r zoo hoorde huilen.... angst zeker voor hem .... Hoe zou 't zijn? zou hij zich voelen een vogel in een kooi, een visch
in een aquarium? Och nee, 't zou wel gaan, want Jess... Jess...

Nou dat moest hij zeggen, in zijn engagement had hij zich tegenover Jess altijd nobel gedragen, bijna niet ontrouw was hij haar geweest, gerekend nog dat hij haar zoo weinig zag, en zij op uren afstands woonde... Hij vond zich bepaald een kraan, een kraan, Jess was vroom
op haar manier. Wel goed. Zij was bepaald een heilige. Enfin, zoo

[220:]

moest je vrouw ook zijn: 'n heilige; dan was ze pas waard, dat je 'r moeder maakte van je kinderen, en anders was ze.... Gelukkig toch maar, dat er voor mannen geen staat van heiligheid werd vereischt.... Nee, vroomheid was wel 'n heel goed iets voor 'n vrouw.... 't was 'n
preventief Hoor eens, als hij eens kinderen had, mocht Jess de
meisjes vroom maken, maar de jongens.... 'n vrome jongen.... de hemel zou hem, Kern, bewaren voor 'n tweeden saaie.
Even voor hun aanteekenen bracht hij Jessie thuis met mevrouw Kern, wier beschilderde waaier voor Grace grooter aantrekkelijkheid vormde dan haar persoon, en ook onmiddellijk door Grace in beslag werd genomen. „Héusch mevrouw, ik zal 'em niet kapot maken, wel doggie? als ik me maar even vijf minuten er mee mag waaien, eiken avond. Ik vind die poppetjes zoo doddig." Mevrouw Kern bekeek Grace door haar face a main, zuchtte, en gaf het gevraagde verlof; haar horloge op tafel leg­ gend om den duur te bepalen, hetgeen de waarde ervan zeer deed stijgen .... „Ik vind 't zoo leuk, 'n waaier," zei Grace, „en ik zal er wel nooit een krijgen, want ik zal wel nooit op partij gaan als ik groot ben, zooals de kinderen op school. Doggie zou me misschien wel laten, ik zou wel mógen van doggie, maar doggie heeft geen geld er voor, wel doggie?"
Doggie verliet, zijn lip bijtend, de kamer.
„Kind, zeg toch niet zulke dingen tegen mevrouw Kern!" waarschuwde Ro, toen zij Grace's dikke haar invlocht voor den nacht. „O," flapte Grace, „mevrouw Kern weet toch wel dat wij geen geld hebben, en wat kan 't mij schelen wat ze van ons denkt? Je moet ook niet denken, Ro, dat ik erg geef om de partijen. Ik wil nou niet ééns meer op kinderfuiven, want ze letten zoo op je jurk, en of je al weer dezelfde aan hebt, en daar zeggen ze dan wat van, dan fluisteren ze zoo.... Ik heb 't je vergeten te zeggen, maar ze vragen je eigenlijk om je jurk.... Nee, als ik maar met doggie boven Goupil kan wonen als ik groot ben, zoodat wij altijd dicht bij de platen zijn...."
Ro kuste haar, voelend dat zij zeer veel hield van haar wilde kleine zus. En Grace, die altijd in haar nachtjapon een uitgelaten bui kreeg, danste rond, liep stijf achterover als mevrouw Kern, en deed den langen baron na, „van toen bij Iris, je weet wel, Ro." „Ro," Grace stapte in bed, „nu ben jij minister en ik koningin en nu moet je buigen. Of nee, Ro, je bent die koe uit dat verhaal van Schmidt, en ik neem afscheid van je: ,goed beest' zeide hij, en krabde haar op den kop, ik zal u niet meer voede­ ren, maar mijn moeder zal wel voor u zorgen." „Zotte Grïenie, je brengt mijn heele haar in de war.... nou nacht, slaap wel."

[221:]

Maar Grace's beweeglijk hoofd gluurde weer om het bedgordijn. „Ro, als jullie soms nog wat éét beneden, bewaar dan voor mij wat? Vraag 't aan doggie, anders vergeet jij 't, en bij vergeet 't niet."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina